Mary Dehne

 

Iedere oorlog  laat een generatie achter die iets “speciaals”is. Ikzelf ben geen kind van de vijand, maar ik ben er nu bijna 50 jaar mee getrouwd. Mijn vrouw is tijdens de tweede wereldoorlog uit zo’n relatie geboren. Zij behoort daarmee tot een groep van oorlogskinderen die, behoudens een paar krantenartikelen en een 3-tal geschreven boeken, inclusief die van mijzelf, niet of nauwelijks bekend zijn. Jarenlang hebben zij gezwegen over hun afkomst. Deels uit schaamte en deels gedwongen door de sociale context waarbinnen zij leven..

Als de familie uit schaamte, of omdat ze je willen beschermen, een geheim bewaren, zal vaak verdriet de sterkste emotie zijn. Wie met een geheim wordt geconfronteerd, heeft daar psychisch een zware kluif aan. Je kiest er niet voor, noch om het geheim te horen, noch het moment. Heb je eenmaal het geheim gehoord dan kun je het niet meer terugdraaien. Je zult er mee  moeten leven. Zolang er gezwegen wordt, blijft het geheim iets schaamtevols, iets vreselijks, een soort zwarte bladzijde waarover je niet praat. Gelukkig is binnen deze groep vamn oorlogskinderen de laatste tien jaren een doorbraak ontstaan, met dien verstande dat zij – tenminste een aantal van hen – nu kunnen vertellen over wie ze zijn en daarmee ook naar buiten durven te treden.

Helaas weten veel van deze kinderen – die allemaal zo rond de leeftijd van 68 jaar zijn – niet echt wie ze zijn. Soms weten ze wel de naam van hun biologische vader, maar soms ook niet. Maar al te vaak is bij een aantal van hen het geheim mee het graf ingenomen door hun overleden moeder en andere familieleden. Zij zijn echte wezen. Wat vaak frustreert is dat de moeders veelal door het leven zijn gegaan en als het ware gehandicapt waren in hun gevoelens. Veel moeders – dat zijn er nu nog maar enkelen – die nu nog leven durven nog steeds niet te praten.

Als je geboren wordt is dat een onvrijwillige keuze. Immers die keuze wordt meestal gemaakt door je verwekkers of door slechts één van hen. Vrijwilligheid of onvrijwilligheid speelt daarbij geen enkele rol. Met de gevolgen wordt je pas later en soms veel later geconfronteerd. Mijn echtgenote werd eerst op 15 jarige leeftijd voor de eerste keer geconfronteerd met haar afkomst. Het zal je maar gebeuren dat, midden in je pubertijd waarin je het in ieder geval al moeilijk hebt met jezelf, iemand in je directe omgeving op een sneaky manier tegen je zegt, zogenaamd in vertrouwen en zogenaamd het beste met je voorhebbend; “hé meis, weet je dat je vader je vader niet is. Je vader is een Japanner. Vraag maar aan je moeder, die heeft misschien nog wel een foto van hem”. Totaal overdonderd, vol ongeloof en volkomen verward werd deze boodschap op haar bordje gelegd. Nogmaals in één van de moeilijkste periodes in een kinderleven; de pubertijd.

Je vader, de man die je respecteerde, die je liefhad, die altijd voor je klaar stond, die met je ging vissen en brommerrijden “was je vader niet?” Ze begreep er geen ene moer van. Wie was mijn vader dan wel? Waarom ging mijn moeder een relatie aan met de vijand? Dat zijn vragen die dan onmiddellijk naar boven komen. Praten daarover met moeder of vader durfde ze toen niet en later nog steeds niet. Uitleg kreeg ze uiteindelijk pas een aantal jaren later en dan nog in een heel summiere vorm. Echte gesprekken over dit onderwerp hebben nooit plaatsgevonden en helaas kunnen deze nu niet meer worden gevoerd. Moeder is nu dementerend en de man die haar opvoedde is overleden.

Verteld werd dat er geen keuze bestond of er wel een relatie begon. Haar moeder was in die tijd net 18 jaar, bijna 2 jaar getrouwd met een KNIL-militair en had al een dochter. “Haar Japanner was toen rond de 46 jaar oud, had een zeer hoge civiele functie, stond ineens voor de deur en “wilde haar”. Angst voerde de boventoon. Later in die relatie – die bijna 3 jaar heeft geduurd – ontstond er een soort van genegenheid of iets dergelijks. Hoewel het in aanvang dus een ongelijkwaardige relatie was is er kennelijk naderhand toch een vorm van liefde ontstaan. Het uiteindelijke product daarvan is mijn echtgenote. Ik zal niet haar hele levensverhaal beschrijven, want dat heb ik eerder gedaan in mijn boek “Het leven gaat door”.

 

(Links boven haar biologische vader, rechtsboven haar vader en onder haar moeder)

Haar leven is in een latere fase zeer moeilijk geworden. In aanvang na de wereldoorlog als gevolg van discriminatie, afwijzing e.d. en later kwam hier nog een identiteitscrisis bij, gepaard gaand met vele nachtmerries. Dit leidde ertoe dat zij bijna 3 jaar onder psychiatrische behandeling moest in het Sinai-centrum in Amstelveen.

Een zeer bekend feit is dat de Indische Nederlanders en alle anderen die in de Oost hebben verbleven gedurende de roerige jaren tussen 1942 en 1950 of soms  daarna nog, geen woord spraken over al die zaken die ze hadden meegemaakt en beleefd. Niet met hun kinderen, niet met hun familie, vaak zelfs niet met hun echtgenote of echtgenoot. Dit is “het Indisch stilzwijgen”. En dat werd bewaard en vele traumata werden stilzwijgend  met zich mee gedragen. Allerlei soorten van problemen ontstonden hierdoor. Vormen van afwijkend gedrag konden daaraan worden toegeschreven. Verbroken huwelijken, overspel, verwijdering van kinderen en familie waren vaal het gevolg van dat grote stilzwijgen.

Familie begint in je eigen gezin. Daar ligt de bakermat en nergens anders. Je familie zijn je ouders, je broers en zusters. De rest is toegevoegde waarde, zoals oom en tantes, neven en nichten. Je vader is diegene die je opgevoed heeft en hoeft niet diegene te zijn die je verwekt heeft. Dat vis een aloud gezegde dat een grote kern van waarheid in zich heeft.

Maar daarbij  doet zich alleen het probleem  voor dat je in je opvoedvader geen genetische herkenning hebt. Hoe goed en lief deze vader ook voor je is of is geweest. Hij is en blijft je “opvoeder”. En daar bestaat – als het een goede opvoeding is geweest – een levenslange waardering voor bestaan. Blijft nog over het feit dat je werkelijke afkomst dan nog verborgen blijft, want immers je weet niets van je biologische vader. Bovendien ken je de andere familie niet. Natuurlijk blijft er een soort wens bestaan om je biologische vader te loeren kennen of te ontmoeten, maar helaas is dat vaak niet of niet meer mogelijk.

Natuurlijk weten alle Japans-Indische kinderen wat er in de oorlog is gebeurd. Zij leefden een heel klein stukje in die tijd. Ook zij weten dat dit nooit mag worden vergeten. Maar war even natuurlijk is, is dat zij het recht hebben om tre weten van wie je vandaan komt. Te weten: “wie of je vader is als mens, als vader, of wat dan ook”. Te weten of vermoeden dat je nog meer familie hebt, maar niets van ze weet is voor velen frustrerend. Veel van de Japans-Indische kinderen zijn op deze manier op zoek naar hun roots, hun onbekende helft. Een ieder moet beseffen dat elk kind het recht heeft om te weten wie zijn of haar ouders zijn, zo zij zulks begeren.

In een maatschappij die boordevol zit met informatie, archieven die uitpuilen van gegevens en mensen die nog separate kennis hebben, moet het mogelijk zijn om hier wat mee te doen. Gelukkig zijn er organisaties als JIN en Sakura die hen daarin bijstaan, mede geholpen door mensen afkomstig uit Japan of die in Japan hun domicilie hebben.

De titel van dit verhaal is misleidend. Kinderen van een Japanse vader zijn eigenlijk niet anders, zij zijn gewoon gelijk alle andere kinderen, die helaas hun vader niet kennen en soms niet weten wij hij is. In de televisierubriek “Spoorloos”ziet u wel vaker van dit soort situaties.

(PAKHAN)

 

Comments are closed.