Troostmeisjes, dwangprostitutie

 

Birney, troostmeisjes, dwangprostitutie

Geplaatst op 20/08/2008

Ik heb een hekel aan het woord troostmeisjes, het is een –door de daders bedacht- eufemisme voor een misdaad: vrouwen dwingen zich te prostitueren, dwangprostitutie. ‘Troostmeisjes’, het woord zorgt voor smeuïge, goed verkopende headlines in de media. De term heeft ook een zekere vaagheid waardoor met gemak relaties die niets van doen hebben met gedwongen prostitutie daarmee toch worden geassocieerd. Dit soort dingen bemoeilijkt het praten over de geschiedenis in Indië. ‘Troostmeisje’ mag ook niet lukraak voor allerlei verhoudingen worden gebruikt, dit verkeerde woordgebruik doet afbreuk aan wat de werkelijke slachtoffers hebben ondergaan. Het doet er niet toe of het om sexuele-, liefdes-, samenlevings-, gearrangeerde-, of welke relaties dan ook gaat– wanneer er géén gedwongen prostitutie in het spel is, is het woord ‘troostmeisjes’ misplaatst. Toevallig kwam ik laatst weer een voorbeeld tegen, me verdiepend in het werk van de schrijver Alfred Birney. Op de kaft van zijn boek Indische Gezichten is sprake van een ‘zogenoemd troostmeisje’. Het boek bevat zijn Indische romans Vogels rond een vrouw en De onschuld van een vis (In de Knipscheer, Haarlem, 2002). Op de kaft staat dat Birney door zijn verhaallijnen (onder andere over ‘de Indische vader’) heen weeft “de lotgevallen van zijn eigen tweede generatie Indische jongens en meisjes die in Nederland opgroeiden én die van een zogenoemd troostmeisje en haar nakomelingen van een Japanse soldaat in het huidige Indonesië”. Zogenoemd??

In het verhaal Vogels…betreft het Lea, de tante van de hoofdpersoon Alan. Lea werkte als serveerster in een officiersmess in Surabaya, en Alan vraagt zich af: is zij indertijd direct op Josida verliefd geworden of moest zij eerst de hele tafel langs eer zij door hem als vriendin en minnares werd genomen? Lea heeft twee kinderen van officier Josida: Josta en Joshi (geen kinderen van ‘een … soldaat’ dus, maar dit terzijde). Josida ging op een avond tijdens de Bersiap-tijd sigaretten halen maar kwam niet terug. Men vond hem en zijn neef dood, hun gezichten waren onherkenbaar verminkt. Nadat ze dit verteld heeft, staat er: “Lea kijkt een poosje zwijgend voor zich uit, de kin geheven om de droefheid in haar ogen te maskeren. “Jouw tante heeft na Josida nooit meer een andere man gehad, Alan. Maar ik heb Josta. Dat is genoeg’.”

Met de misdadige dwangprostitutie heeft dit niets, maar dan ook niets te maken. Men moet ook wel bedenken dat het aantal ‘troostmeisjes’ in Indië relatief niet groot was. Van het grondige archiefonderzoek van de Regering inzake dwangprostitutie in Nederlands-Indië, luidt de conclusie dat van ongeveer 65 Europese (d.w.z. zowel totoks als Indische) vrouwen die werkzaam zijn geweest in Japanse legerbordelen, buiten kijf staat dat er sprake is geweest van gedwongen prostitutie (1993-1994, Kamerstuk 23607, nr 1).

Tenslotte, om misverstand te voorkomen, ik wil niet zeggen dat je het boek zelf niet moet lezen. Integendeel, wat mij betreft zijn de verhalen boeiend, geeft Birney welkome inzichten in het “Indische”, en schrijft hij beeldend en doeltreffend. Zie boven bijvoorbeeld: de kin geheven om droefheid te maskeren. Hier is van toepassing ‘Don’t judge a book by looking at the cover’. (20-08-08 Han)

Comments are closed.