Dolf Winkler

Op 22 maart 2009 overleed Dolf, geboren op 8 april 1917, na een korte maar heftige ziekte, op 91-jarige leeftijd. ‘Hij laat een blijvende leegte achter’ schreven zijn vrouw, dochter en kleinkinderen op de rouwkaart. De JIN-leden betreuren zijn verlies, in het bijzonder die leden die hem sedert de jaren 1993-1994-1995 goed hebben leren kennen. Velen hebben hem op de jaarlijkse JIN-relatiedag ontmoet. Hij en zijn vrouw Carry waren daar tot in 2008 trouwe en zeer gewaardeerde gasten. Voor de Japans-Indische nakomelingen en voor de vereniging JIN had Dolf een bijzondere betekenis zoals hierna wordt toegelicht.

Dolf meldde zich in 1938 als jongeman bij het KNIL. In de massale werkloosheid van de crisisjaren vormde het KNIL voor velen een uitweg. Uitgezonden naar Indië, vocht hij in maart 1942 als infanterist bij Kalidjati en Soebang op Java tegen de Japanse invasiemacht. Krijgsgevangen genomen, werd hij ingezet om te werken bij de lijkopruiming. Hij stuitte toen op een massa-executie van krijgsgevangenen (74 man op 6 maart 1972 bij Tjiater, zoals later is gebleken; Dolf spoorde eind jaren zeventig in Nederland twee overlevenden van die groep op die elkaar doodwaanden!). Van Bandoeng ging het naar de haven van Tjilatjap, naar Batavia, en naar Tandjong Priok, om per schip via Singapore naar Thailand te gaan. In diverse werkkampen (Kingsajok en Rintin) werkte hij als dwangarbeider aan de beruchte spoorlijn, en als verpleger van zieken en stervenden. Na verloop van tijd werd hij naar Japan getransporteerd, waar hij, gedurende twee jaar, onder uiterst beroerde omstandigheden, in een kolenmijn moest werken, in Mizumaki, een stadje bij Fukuoka, gelegen op het eiland Kyushu. Op 15 augustus 1945 kwam daar de bevrijding, en op 22 september reisde hij naar Nagasaki waar hij verbijsterd de enorme verwoestingen van de atoombom aanschouwde. De bedelende, verweesde kleine kinderen bleven hem bij. Tijdens een doorgangsverblijf in Manilla overkwam hem een vreselijk auto-ongeluk. Van zijn ernstige verwondingen herstelde hij via ziekenhuizen in Hong Kong en Sidney uiteindelijk in Nederland waar hij Carry ontmoette. Demobilisatie was echter niet toegestaan. Hij deed in 1948 een half jaar dienst in Batavia/Djakarta waar hij een Indonesische bomaanslag meemaakte. Terug in Nederland trouwde hij met Carry op 15 september 1948, en werd hij een succesvol zakenman (woninginrichting).

Zijn ervaringen als krijgsgevangene waren ons in de jaren negentig uiteraard al bekend, maar alleen in hoofdlijnen, de details lazen we eerst in zijn autobiografische boekje ‘Mijn Kampverleden 1942-1945’ dat in 2003 verscheen. Het berust grotendeels op herinneringen die hij al in Manilla opschreef. Bij herlezing valt op hoe fel de emoties oplaaien; woede en haat- en wraakgevoelens over ondergaan onrecht, over afstraffingen en vernederingen; intense machteloosheid bij het zien van andermans noodlot; doodsangst toen de mijn instortte en hij drie dagen afgesloten was; blijdschap over lijfreddende meevallers. De toon van zijn verslag blijft doorgaans nuchter, hij heeft oog voor komische voorvallen, hij scheert de vijand niet over één kam, en hij maakt ook melding van staaltjes van humaan gedrag, bijvoorbeeld een arts die hem –tijdens z’n zoveelste malaria-aanval- vrijstelde van werk en liet opnemen; of Tamura-san, een mijnopzichter, die voldoende rust bood, nooit sloeg, en af en toe visjes gaf.
Uit het voorwoord (van Van Agt die als gezant van de EU in Japan, in 1995 in Mizumaki kennismaakte met de EKNJ en Dolf) blijkt dat Dolf’s haat- en wraakgevoelens sinds lange tijd verdwenen waren -en in interviews bevestigde Dolf dit nadrukkelijk. Hoe is dit in zijn werk gegaan? In de jaren zeventig begon na zijn pensionering zijn oorlogsverleden heftig op te spelen. Op aanraden van zijn therapeut prof. Bastiaans van de stichting ’45 reisde hij naar de oorlogsplekken in Indonesië en Thailand. Naar Japan durfde hij pas in 1985. Die reis vormde een keerpunt in zijn leven. Toen hij het dorp Mizumaki bezocht, stuitte hij op een vervallen en overwoekerd monument. Sindsdien had blijkbaar niemand er meer naar omgekeken. Dit is niet verwonderlijk, want zoals de Japanse historicus Eidai Hayashi (een expert inzake POW’s in Kyushu) later vertelde, was het op de dag van de capitulatie haastig opgericht om de geallieerden de gunstige indruk te geven dat overledenen een rustplek was gegeven: a false monument on a bogus burial site, noemde Hayashi het. Dolf nam er geen genoegen mee, hij schreef naar de ambassades, en keerde in 1986 terug om het gemeentebestuur ertoe te bewegen het monument schoon te maken en te renoveren. Dat ging niet zo snel natuurlijk. Maar met hulp van de 72-jarige dorpsbewoner Hiroshi Kurokawa lukte het in 1987. Zie over de eveneens kortgeleden overleden Hiroshi het stukje elders in dit blad. In één van de Japanse TV-uitzendingen zei Dolf dat hij graag Minoru Tamura zou ontmoeten, die Japanner die hij nooit had kunnen vergeten. De volgende dag belde zijn schoondochter dat hij in leven was. Hij woonde 500 km weg. Men organiseerde daar een ontmoeting. (zie foto).
Het hele dorp liep uit. “It did me a world of good how nicely those people treated me, people who had their own share of guilt. Sure, the Japanese have that too, you know, guilt about their parents’ misdeeds”, aldus Dolf.
Over deze ontmoeting schreef een Japanse krant in 2000 dat “Tamura, who has since died, was ill at the time and had just returned from hospital. Even so, he was delighted with the reunion, Hayashi said. The two men looked at each other and embraced. Meeting with Tamura seems to have helped alleviate Winkler’s pain, Hayashi added. Since then, the Dutchman has visited Mizumakimachi every year — sometimes more than once — with fellow former POWs and their families`.
Terug in Nederland richtte Dolf in 1985 een werkgroep op van Ex-krijgsgevangenen en nabestaanden Japan, later de gelijknamige stichting, afgekort EKNJ. Dolf startte een project om de namen van de doden van de mijnen van Mizumaki op het monument te zetten, en later die van alle overleden Nederlanders in Japanse krijgsgevangenschap. Daarvoor kwam een subsidie van Nederland beschikbaar. De EKNJ beijverde zich verder om verwerkingsreizen naar Japan te organiseren. Deze reizen bleken een schot in de roos. Op de site www.vriendenvanjapan.nl , die gaat over de huidige stedenband tussen Emmeloord en Mizumaki, zegt Dolf, dat hij een vriendschapsband wilde smeden tussen ex-krijgsgevangenen en Japanners. Want alleen op die manier kunnen zij van hun oorlogstrauma afkomen, meent hij. “Tijdens mijn bezoek aan Mizumaki ontmoette ik zoveel vriendelijke en hulpvaardige Japanners. Dankzij hen kwam ik eindelijk van mijn haatgevoelens af. Dat is zo’n bevrijding! Met de gezamenlijke herdenkingsbijeenkomsten bij het monument wilde ik andere ex-krijgsgevangenen dezelfde ervaring meegeven.” Dan wordt hij enthousiast en gaat op het puntje van zijn stoel zitten. “Ruim driehonderd andere ex-krijgsgevangenen heb ik meegenomen naar Japan. En allemaal kwamen ze genezen terug!” Op een bepaald moment waren de voormalige krijgsgevangenen die nog in leven waren, echter te oud om de lange reis naar Japan te kunnen maken. Daarom is op zaterdag 23 april 2005 de stichting EKNJ opgeheven. “Het is mooi geweest”, zegt Dolf Winkler, al klinkt het niet erg overtuigend. “Het doet natuurlijk pijn mijn levenswerk achter te laten, maar ik heb het volste vertrouwen dat de geschiedenis zich niet zal herhalen.” De herdenkingen in Mizumaki gaan evenwel van jaar tot jaar door.
In oktober 1991 schreef de kersverse vereniging JIN (bestuur: Hilgers, mw Meijer, De Winter, Böck, en mw Gieske-Erentreich) een brief naar de EKNJ met het verzoek bij hun reis naar Japan ook aandacht te vragen voor de JIN en waar mogelijk de opgestelde informatiefolders te verspreiden. Dat deed Dolf. Hij schreef later vriendelijk terug dat de reis een enorm succes was, en veel media-aandacht had getrokken. In 1993 hadden postergroep en bestuur met de Winklers gesprekken betreffende contacten met Japan (pater Salemink, journalisten en TV-filmploegen).
Overigens heeft de stichting EKNJ zich niet beperkt tot de organisatie van reizen. Zij zette ook allerlei exhibities over de oorlog op, of droeg daaraan bij, onder andere in een vruchtbare samenwerking met Museon, en dat niet alleen in Nederland maar ook in Japan. De door Winkler in 1980 vervaardigde fototentoonstelling “Nederlands-Indië in de Tweede Wereldoorlog” heeft sinds 1995 elk jaar in diverse Nederlandse steden gecirculeerd.
Het JIN-bestuur maakte in de persoon van Hideko op een KJBB-dag (vermoedelijk in 1995) beter kennis met Dolf en Carry Winkler. Het toen voor het eerst aangetreden nieuwe JIN-bestuur (met Bauke Talens als voorzitter) zocht actief naar mogelijkheden om zelf naar Japan te reizen. Het idee was dat een dergelijke reis goed voor de JIN-leden zou zijn uit een oogpunt van verwerking. Ook was de overtuiging gegroeid dat voor het zoeken naar vaders een steunpunt in Japan zelf moest worden gezocht. In 1993 was Cherie Landegent, een JIN-lid, die donateur was geworden van de EKNJ, moedig als zij was, met een reis meegegaan, en teruggekomen met positieve berichten. In 1995 gingen Dick Bodenstaff (met EKNJ) en Hideko (op eigen kosten) naar Japan waar zij ook de herdenking in Mizumaki bezochten. De JIN mocht daar dankzij Winkler en Kurokawa voor het eerst het woord voeren. Voor 1997 werd, op al deze contacten voortbouwend, met de EKNJ een reis gepland waar een groot aantal JIN-leden aan kon deelnemen. Let wel, op eigen kosten. Echter, enkele weken voor vertrek kreeg men bericht van de Japanse ambassade dat de vliegtickets werden betaald. Hideko werkte voor het reisplan nauw samen met Carry Winkler, de JIN- groep kon doorreizen naar Kyoto en Tokyo.
Het is goed eraan te herinneren dat de inspanningen van Dolf en de EKNJ allerminst op brede instemming in Nederland of beter gezegd van de Indische gemeenschap in Nederland konden rekenen. Integendeel, er was veel opschudding onder de mensen die hem voor ‘Jap-vriendje’ uitmaakten. Hij kreeg te maken met bedreigingen over de telefoon: stemmen die zeiden, ik weet hoe ik je kan vinden. Niet dat het Dolf werkelijk dwars zat, of hem van zijn pad afbracht. Eerder maakte het hem juist strijdvaardiger (wat ook weer weerstand opriep). Hij was er bovendien werkelijk van overtuigd geraakt, dat haat-en wraakgevoelens tot niets zouden leiden. Het is een muur die je moet afbreken anders is er geen uitzicht, zei hij altijd. Dolf kreeg ook een hekel aan de cultivering van de gevoelens van slachtofferschap, die hij in de Indische gemeenschap signaleerde. Dit voert, zei hij, tot een uitzichtloze cirkel waaruit geen ontsnappen mogelijk is. De weerstand tegen Winkler en de EKNJ had een taai leven: het had o.m. tot gevolg dat zij tot 2005 als organisatie niet welkom waren bij het Indisch Platform en de st. 15 Augustus Herdenking (De EKNJ is nadat in 2001 Paul Niessen het roer van Dolf had overgenomen, in 2005 gestopt). Dit is een opmerkelijk feit, zeker als je leest wat Dolf en zijn makkers hebben doorgemaakt, terwijl de ingeslagen koers en de geleverde inspanningen nota bene wel hebben geleid tot koninklijke onderscheidingen voor Hiroshi Kurokawa en Dolf Winkler.
Ook de JIN werd in die tijd vaak met een scheef oog of met de nek aangekeken. In het isolement kwam evenwel langzaam verandering. Behalve steun van de EKNJ (Dolf en het bestuur trokken zich gelukkig niets aan van diegenen die kritiek hadden op hun ‘associatie’ met kinderen van een Japanse vader), kwam ook steun van de kant van Pelita. De toenmalige directeur Leo de Coninck bevorderde de nodige hulpverlening van de kant van oorlogsgezondheidscentra, en bevorderde een entree bij het Indisch Platform en de Japanse Ambassade. De gesprekken van het JIN-bestuur bij de ambassade verliepen in goede sfeer, maar leverden niets concreets op. De contacten met de EKNJ hielpen niet zozeer bij het leggen van contacten met de Indische gemeenschap. Wat echter grote praktische betekenis zou krijgen, waren de vele positieve ontmoetingen, op de reizen zelf en erna, tussen JIN-leden en de ex-krijgsgevangenen van Japan en hun nabestaanden. De onderlinge contacten en met naoorlogse Japanners werkten bevrijdend. Dolf demonstreerde dat het mogelijk is als oorlogsslachtoffer niet in het vijand-denken stil te staan, en vriendschap te sluiten met naoorlogse Japanners. Voor JIN’ers werkte ook dat inzicht bevrijdend. Het bracht het vrede hebben met jezelf dichterbij.
In 1995 had de Japanse regering een tienjarig beleidsprogramma in het leven geroepen om vrede en verzoening te bevorderen. Deel ervan was een budget voor reizen naar Japan vanuit Nederland. De EKNJ had –opmerkelijk genoeg- moeite daarin snel toegang te krijgen, ondanks de al jaren getoonde positieve inzet. Het JIN-bestuur kreeg intussen bij de ambassade voor een bijdrage in de reis geen voet aan de grond. Waarschijnlijk was de reden een (onuitgesproken) vrees voor ongewenste precedentwerking (kinderen van Japanse vaders). Intussen stond echter voor 1997, als hierboven gezegd, een grote JIN-groep klaar om met de EKNJ mee te gaan (15 personen, onder wie drie moeders). De JIN rekende op niets en wat kon JIN trouwens anders doen? Enkele weken voor het vertrek van Schiphol kwam volkomen onverwacht een telefoontje binnen van de ambassade dat Japan alle vliegtickets zou bekostigen. Op dit besluit is geen toelichting gegeven. Misschien gaf de formule dat de nakomelingen van JIN niet zelfstandig maar onder de vlag of de directie van de EKNJ konden meegaan, binnen de Japanse ambassade de oplossing. Als dat zo is, vergroot het de erkentelijkheid van JIN voor de EKNJ (en Pelita). Zonder hen zou het naar alle waarschijnlijkheid niet zijn gelukt. Bijna alle 1e generatie JIN-leden hebben vanaf 1997 de reis kunnen maken, niet zelden gecombineerd met een bezoek aan Japanse familie. Zonder subsidie zou dit praktisch onmogelijk zijn geweest.
In de jaren daarna kwamen we Dolf regelmatig tegen, altijd even belangstellend naar het wel en wee van de JIN, steeds op de jaarlijkse relatiedagen present. We zagen hem in het indrukwekkende fotoboek van Jan Banning met bloot bovenlijf geportretteerd (Sporen van de oorlog). Ook in de media hoorden we regelmatig zijn vertrouwde stemgeluid. In 2000 bijvoorbeeld betuigde de Japanse minister-president K. Obuchi ten overstaan van premier Kok: “diepe spijt en oprechte excuses voor de enorme schade en het lijden dat Japan velen, onder wie Nederlandse oorlogsslachtoffers, heeft berokkend.” Voor een aantal organisaties ging dit als gebruikelijk niet ver genoeg. “Hij moet zijn spijt openlijk, liefst op televisie, betuigen” en “Wij horen graag dat er een fonds voor dwangarbeiders komt die in de oorlog in Japanse kolenmijnen (…)hebben gewerkt”. Dolf, de man die daar echt zelf gewerkt heeft, heeft daar echter nooit om gevraagd. “Japan kan duizendmaal zijn excuses aanbieden, maar er zijn mensen die hun haatgevoelens blijven houden. Ik zeg altijd: wie een muur afbreekt, bouwt een uitzicht op.”
Op de crematieplechtigheid was ook uit Mizumaki een vertegenwoordiger aanwezig, Ralph Schriock, die een indrukwekkende toespraak hield. “Wij missen zijn persoonlijkheid, hij was onze steun en toeverlaat, maar bovenal missen wij zijn liefde. Voor de vele goede dingen die hij tot stand heeft gebracht zullen we zijn leven “vieren”. Deze zomer is Carry naar Mizumaki gereisd om de wens van haar echtgenoot uit te voeren. Zij heeft zijn as daar verstrooid. Zo is Dolf tenslotte verenigd met zijn kameraden die in de kolenmijnen van Mizumaki het leven hebben gelaten. Niet ver van het Memorial waar elk jaar de Japanse ingezetenen van Mizumaki, notabelen en burgers van jong tot oud, de in Japan overleden Nederlandse krijgsgevangenen herdenken, en nu ongetwijfeld ook de herinnering aan Hiroshi Kurokawa en Dolf Winkler levend zullen houden.

Uitzicht vanaf Kruis Monument Mizumaki
20131110_061139_resized
winkler
Mizumaki,1995,v.Agt,Salemink, Winkler, Hideko,Heldring 001 (2)
DolfKruism10805977.gif