Europa

Het BOWin staat voor Born of War international network. Aan het netwerk nemen nationale organisaties deel van ‘children born of war’. Hieronder verstaan zij een ‘persoon van wie de identiteit als gevolg van oorlog aangetast is’ (‘corrupted’, ‘beschädigt’, ‘faussé’). Zie voor meer informatie de site http://www.bowin.eu

Jaarlijks komen vertegenwoordigers van de nationale organisaties bij elkaar. Op 25 oktober 2014 was er het achtste Forum van BOW i.n. Daar was –als uitvloeisel van het Symposium van S.O.O. in Utrecht– een delegatie uit Nederland uitgenodigd voor wat betreft de Japans Indische nakomelingen. Dr. Maekawa hield een voordracht, evenals de voorzitter van JIN en Jan Pellegrino, adviseur van Sakura.

Eén van de sprekers was Paul Schmitz. Hij was op zoek naar zijn Amerikaanse vader. Hij heeft er een boek over geschreven. Hieronder volgt een eerder op de site verschenen samenvatting.

Paul Schmitz, Kriegskind (War Child)
Die Suche nach meinem Amerikanischen Vater
(The search for my American father)

Vorig jaar in Berlijn ontmoetten we Paul Schmitz op het achtste Forum van BOW i.n. (Born of War, international Network) gehouden op 25 oktober 2014. Paul is de zoon van een Duitse moeder en Amerikaanse vader, geboren in 1945. Hij vertelde op de conferentie zijn verhaal.

Het BOW netwerk bestaat uit diverse organisaties van Europese kinderen ‘born of war’. Gemeenschappelijk is dat ze niet geboren zouden zijn wanneer er geen oorlog zou zijn gevoerd tussen landen die elkaars grondgebied bezetten of bevrijden. Het is verbazingwekkend dat overal buitenlandse vaders kinderen achterlieten bij vrouwen van het land met wie ze een verhouding hadden: Finland (Russen en Duitsers), Polen (idem), Elzas (Duitsers en Fransen), Skandinavië (Duitsers), Nederland (Duitsers, Canadezen), Duitsland (Geallieerden), België, enzovoort. De landen voeren oorlog maar wat kinderen betreft zijn de consequenties een privé zaak van burgers;  staten en overheden bieden niet of nauwelijks hulp wanneer kinderen naar hun vader gaan zoeken.

kriegskind Paul Schmitz schreef een mooi boek over zijn ervaringen als kind en zijn zoektocht naar zijn vader. Bij het Ardennenoffensief lag zijn Amerikaanse vader in de buurt van Sourbrodt in België. Daar had hij een verhouding met Paul’s moeder. Zij en haar familie moest het dorp vanwege de gevechten verlaten. Na de strijd keerden zij terug naar een volledig verwoeste buurt, ze waren alles kwijt. De moeder was zwanger, en met angst in het hart, moest zij op een gegeven moment haar familie inlichten. Haar grootvader was meevoelend en flink en het kind werd geaccepteerd. Dat was een hele opluchting want in veel andere gevallen werden deze kinderen als ‘schande’ ervaren. Paul werd ook niet aan een instelling afgestaan. Hij groeide op als een angstige en stille jongen, zonder vader. Over deze werd niet gesproken. Pas rond zijn 14ewerd hij zich bewust dat zijn vader een Amerikaanse soldaat was. Zijn moeder zei dat hij John heette, en méér kwam hij niet te weten.

titlePaul schrijft: “het moet als een catastrofe gevoeld hebben: in een ineenstortend sociaal systeem waar de oude waarden nog in de geest aanwezig zijn, ontmoeten een man en een vrouw elkaar, die dat niet behoren te doen: jonge vrouw en een militair van de bezettende macht. Terwijl zwangerschap tijdens huwelijk de norm was, en over seksualiteit werd gezwegen, werd een kind geschapen, dat dit beeld aan diggelen gooide.”

 

Na 60 jaar begon Paul serieus te zoeken. Na vele teleurstellingen, gelukstreffers, valse sporen, en eindeloze gesprekken met familieleden en dorpelingen, kwam hij geleidelijk dichter bij de waarheid. In Sourbrodt bleek een geneeskundig bataljon gestationeerd te zijn geweest, waar zijn vader deel van uitmaakte. Maar wie?  Een contact met een soldaat van die compagnie gaf hoop, maar het liep op een mislukking uit. Deze man was geen ‘hospik’. Een grote teleurstelling. Velen bleken ook niet bereid te praten over hun oude maten. Uiteindelijk vond hij iemand die zeer coöperatief was.  Foto’s van soldaten met namen en gezichten kwamen boven water. Hij liet ze zien aan oude tantes. De vele gesprekken met hen stimuleerden haar geheugens. In US-archieven werden vier ‘Johns’ geïdentificeerd als waarschijnlijke kandidaat. Met vereende inspanning vond hij een zekere John K. Fitzmiller. Hij was overleden en had twee dochters.

Hij schreef hen een korte brief, waarop een antwoord kwam. Daarna schreef hij een hele lange brief. Een dochter zond foto’s en informatie over haar vader. Hij was huisarts geweest van 1948 tot 1988. Zijn interesses waren postzegels en goudvissen. Hij was geliefd, vriendelijk, rustig en gereserveerd. Zij verwelkomde het idee mogelijk een halfbroer te hebben. Na vele contacten wees een DNA-test in 2010 uit dat hij zijn vader had gevonden. Paul bezocht de V.S. voor een bezoek aan het graf van zijn vader en om zijn halfzussen te zien.

Het voelde als een nieuw begin. Terugblikkend ziet hij zijn jeugd als in beslag genomen door de vele vraagtekens over zijn identiteit. Hij had eigenlijk eerder hieraan moeten werken, dacht hij. Hij had geleefd als een ‘Kriegskind’. Hij besluit (ingekort): “Ik was altijd stil, en had lange tijd niet de moed vragen te stellen. Ik was bang opnieuw vernederingen te moeten ondergaan. Over mijn identiteit werd niet vrijuit gesproken. Alleen door mijn eigen initiatief en inspanning kwam ik iets meer te weten. Er was een leegte in mijn hart, en ik voelde me daarin niet begrepen. Maar dit alles was in het verleden nu. Mijn ziel was weer geheeld.”

berlijn13
berlijn11

Van de kant van de Belgen was Gerlinda Swillen aanwezig. Zij heeft ook gesproken op het Symposium in Utrecht. De samenvatting volgt hieronder.

Gerlinda Swillen (woordvoerder van Born of War i.n. [in die tijd; in 2015-2016 is Henny Granum woordvoerder] ) spreekt over het onderwerp: ‘recht op identiteit  voor de kinderen van de Tweede Wereldoorlog’. Door staten worden oorlogen gevoerd en oorlogskinderen, children born of war, zijn daarvan een levend bewijs.  In Europa komt in 2007 publiciteit los vanwege een klacht bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Een groep van Noren vindt dat de Noorse staat na de Tweede Wereldoorlog te weinig heeft gedaan om hen te beschermen tegen de gevolgen van hun status als kind van een Duitser (Nazi). [Vele Lebensborn weeskinderen zijn na de oorlog ten onrechte als zwakzinnigen in tehuizen geplaatst waar ze vreselijk behandeld zijn]. Het ERHM verklaart de klacht niet-ontvankelijk maar de belangstelling is gewekt en is sindsdien gegroeid. [De Noorse regering heeft excuus aangeboden].

In de eerste plaats gaat het om hulp bij het zoeken van de verwekker.  Er is een internationaal netwerk gevormd. De term ‘oorlogskind’ kan zeer diverse situaties omvatten. Denk bijvoorbeeld aan het veroordelende label ‘foute ouders’. In Birmingham 2008 is consensus gevonden over de algemene aanduiding: children born of war. Kenmerken zijn: (1) ouders hadden elkaar anders nooit ontmoet; (2) één of beide ouders worden gezocht, zijn onbekend; (3) identiteit is problematisch; de jeugd is het kind ontstolen; (4) kinderen zouden anders nooit bestaan.

In de betrokken landen is heel lang over deze kinderen gezwegen; er is lange tijd niets over geschreven. Momenteel zijn er nog steeds weinig landen die deze problematiek erkennen. Ze noemt een aantal probleemterreinen.

Ze vertelt over de Duitse administraties waar de gegevens van 18 miljoen militairen te vinden zijn. Via de Deutsche Dienststelle (WASt) in Berlijn heeft zij haar Duitse zus en broer gevonden. Per jaar komen 500 aanvragen binnen. Als regel geldt: een oorlogskind heeft voorrang, krijgt álle informatie toegestuurd, ook als de vader zich verzet; met uitzondering van informatie over de andere familieleden indien de familie geen toestemming geeft. Ook informatie betreffende andere personen dan familie wordt geanonimiseerd. Zij zocht met minimale gegevens, naam, voornaam, en geboortedatum van de vader, die ongeveer gelijk aan die van de moeder was geschat, maar hij bleek liefst 16 jaar ouder te zijn dan haar moeder. Zoekenden worden ongeduldig, gaan zelf  acties ondernemen, zoals eigen archiefonderzoek, ze raadt dit af.

Impliceert een en ander een vorm van erkenning? Nee, het komt nog slechts zeer aarzelend op gang. De hulp bij het zoeken van de biologische identiteit is nog te zeer afhankelijk van ambtenaren die subjectief verschillende reacties vertonen in hun omgang met privacy regels. In de regelgeving is ten behoeve van zoekende oorlogskinderen geen enkele faciliteit opgenomen.

Zij wijst op de artikelen 7 en 8 van het Kinderrechtenverdrag van de Verenigde Naties, dat door zeer vele landen is ondertekend, inclusief Japan. Het kind heeft recht op een eigen identiteit. Het slot van art. 8: “Wanneer een kind op niet rechtmatige wijze wordt beroofd van enige of alle bestanddelen van zijn identiteit, verlenen de Staten die partij zijn passende bijstand en bescherming, teneinde zijn identiteit zo snel mogelijk te herstellen.” Deze VN-regels zijn niet dwingend uitvoerbaar. Daarom dringt het Born of War, international network  erop aan dat in Europese Richtlijnen wordt vastgelegd dat het kind recht heeft op kennis van de biologische vader, en dat daartoe de administraties moeten zijn ingericht.

Voor een leefbare toekomst vertrouwen we op de jeugd die de toekomst heeft. Dit omvat álle kinderen, in het bijzonder de oorlogskinderen, children born of war.

Gerlinda Swillen heeft een boek geschreven over kinderen van Duitsers in België, onder de titel Koekoekskind, door de vijand verwekt (1940-1945). 

Een boekbespreking waarin ook een vergelijking getrokken wordt met Japans Indische kinderen kunt u hier vinden: Kinderen van DuitsersSITE