Onderzoek SINKE

logo_nationaal_comite_4_5meiIn opdracht van het Nationaal Comité 4 en 5 mei verricht Dr. O.Sinke momenteel een kortlopend onderzoek naar de behoeften van de tweede en derde generatie WO II-getroffenen en de activiteiten die nu voor deze doelgroep georganiseerd worden. Het is de bedoeling om zoveel mogelijk groepen hierbij te betrekken. De vereniging JIN heeft gisteren inmiddels het digitale vragenformulier ontvangen. Het wordt vandaag toegezonden aan de leden. Ieder wordt verzocht het zo spoedig mogelijk in te vullen. De nakomelingen die geen lid zijn maar (uiteraard geheel anoniem) mee willen doen, kunnen een formulier opvragen bij jinmail@chello.nl. Dit geldt ook voor de zogenaamde derde generatie (bij ons bekend als ‘tweede generatie’, zie meer over hen de gelijknamige page op deze site).

Tweede generatie (algemeen)

Met de woorden ‘tweede generatie’ duiden wij, als eerste generatie, in Nederland onze kinderen aan. In Japan noemen ze ons in plaats van eerste generatie, Nisei = tweede generatie. De kinderen van Nisei zijn Sansei, derde generatie. Het is goed om dit te weten, het kan spraakverwarring voorkomen.

De vereniging JIN heeft altijd de kinderen en later de kleinkinderen willen betrekken bij de activiteiten en de verhalen van de leden. De zwijgzaamheid vaak van moeders, familie, en maatschappelijke omgeving hoefde niet in ons eigen leven te worden voortgezet. Op de jaarlijkse Familiedagen en Relatiedagen waren gelukkig altijd veel ‘kleintjes’ en later tieners aanwezig. In het bijzonder is JIN in 1995 begonnen met het idee uit te werken dat ‘we’ naar Japan zelf zouden moeten gaan. Praten met en bij elkaar, over gevoelens, ervaringen, identiteit en zo meer, hoe comfortabel en waardevol op zich ook, was niet voldoende om verder te komen. In 1997 lukte het een grote JIN groep van zestien personen te vormen, die op eigen kosten met de EKNJ van Dolf en Carry Winkler op reis wilde. Bijzonder was dat er drie moeders van nisei meegingen en zelfs al één sansei (tweede generatie). De reiservaringen waren over de hele linie erg goed. In latere jaren hebben veel nakomelingen hun kinderen een keer zelf op reis naar Japan meegenomen (bijvoorbeeld Ton; Bert; Olga; Bauke, Freda, enz.). 

Elders is beschreven hoe de Japanse ambassade de reizen vervolgens opnam in hun Exchange-programma. In de jaren 1997-2001 zijn aldus 25 JIN leden naar Japan gegaan. In 2001 ging voor het eerst weer een sansei mee, Michael. Hij ontmoette er de vrouw met wie hij nu getrouwd is! Michael schreef een pleidooi voor de ambassade (zie hier). JIN slaagde er in in 2005 en 2006 vijf ‘kinderen’ mee te laten gaan (Cartouche, Constantijn, Arnout; Dylan, Chris, Harry). In 2006 ging voor het eerst ook een Sakura-sansei mee (Richard jr. –Sakura was in 2002 begonnen aan te haken). Vanaf 2007 gaf de ambassade  weer alleen de reis aan eerste generatie nakomelingen. 

Kinderen van de tweede generatie zijn zeer verschillend in de wijze waarop zij omgaan met het gegeven voor een kwart van Japanse afkomst te zijn. Ze horen het in zeer verschillende levensfases. Velen laten dit gewoon links liggen. Er zijn er ook betrekkelijk veel die op zoek gaan, meer willen weten, enzovoort. Er zijn voorbeelden van kleinkinderen die zeer actief op zoek zijn gegaan naar hun grootvader (Michael bv); van kinderen die het thema in hun studie inpassen (wat in één geval zelfs voerde tot een rede op 15 augustus; zie hier); van kinderen die op eigen gelegenheid naar Japan gaan (bijvoorbeeld Dylan); of die een ‘Japanse’ hobby ontwikkelen (kendo -Cartouche; manga; etc.). Wat velen gemeen hebben is dat ze meer willen weten, hetzij van de familiegeschiedenis, van de omstandigheden toen, hetzij van Japanse gewoonten, mensen en cultuur, enzovoort. Een belangrijk motief voor deze site is te helpen voorzien in hun behoefte aan (meer) informatie. De vereniging JIN heeft Dylan in het bestuur opgenomen om meer aandacht te kunnen geven aan de behoeften en belangen van de tweede generatie.  

Betrekkelijk recent heeft zich een soort contactgroep gevormd die motivatiebrieven heeft geschreven die zijn gebundeld en door hen met de toenmalige voorzitters van JIN en Sakura (Silfraire en Rob) aan de Japanse ambassade zijn aangeboden. Daarin wordt gepleit voor mogelijkheden in een of andere vorm deel te nemen aan een programma van Japan reizen. Zie voor het verslag hier[:ja]Met de woorden ‘tweede generatie’ duiden wij, als eerste generatie, in Nederland onze kinderen aan. In Japan noemen ze ons in plaats van eerste generatie, Nisei = tweede generatie. De kinderen van Nisei zijn Sansei, derde generatie. Het is goed om dit te weten, het kan spraakverwarring voorkomen.

De vereniging JIN heeft altijd de kinderen en later de kleinkinderen willen betrekken bij de activiteiten en de verhalen van de leden. De zwijgzaamheid vaak van moeders, familie, en maatschappelijke omgeving hoefde niet in ons eigen leven te worden voortgezet. Op de jaarlijkse Familiedagen en Relatiedagen waren gelukkig altijd veel ‘kleintjes’ en later tieners aanwezig. In het bijzonder is JIN in 1995 begonnen met het idee uit te werken dat ‘we’ naar Japan zelf zouden moeten gaan. Praten met en bij elkaar, over gevoelens, ervaringen, identiteit en zo meer, hoe comfortabel en waardevol op zich ook, was niet voldoende om verder te komen. In 1997 lukte het een grote JIN groep van zestien personen te vormen, die op eigen kosten met de EKNJ van Dolf en Carry Winkler op reis wilde. Bijzonder was dat er drie moeders van nisei meegingen en zelfs al één sansei (tweede generatie). De reiservaringen waren over de hele linie erg goed. In latere jaren hebben veel nakomelingen hun kinderen een keer zelf op reis naar Japan meegenomen (bijvoorbeeld Ton; Bert; Olga; Bauke, Freda, enz.). 

Elders is beschreven hoe de Japanse ambassade de reizen vervolgens opnam in hun Exchange-programma. In de jaren 1997-2001 zijn aldus 25 JIN leden naar Japan gegaan. In 2001 ging voor het eerst weer een sansei mee, Michael. Hij ontmoette er de vrouw met wie hij nu getrouwd is! Michael schreef een pleidooi voor de ambassade (zie hier). JIN slaagde er in in 2005 en 2006 vijf ‘kinderen’ mee te laten gaan (Cartouche, Constantijn, Arnout; Dylan, Chris, Harry). In 2006 ging voor het eerst ook een Sakura-sansei mee (Richard jr. –Sakura was in 2002 begonnen aan te haken). Vanaf 2007 gaf de ambassade  weer alleen de reis aan eerste generatie nakomelingen. 

Kinderen van de tweede generatie zijn zeer verschillend in de wijze waarop zij omgaan met het gegeven voor een kwart van Japanse afkomst te zijn. Ze horen het in zeer verschillende levensfases. Velen laten dit gewoon links liggen. Er zijn er ook betrekkelijk veel die op zoek gaan, meer willen weten, enzovoort. Er zijn voorbeelden van kleinkinderen die zeer actief op zoek zijn gegaan naar hun grootvader (Michael bv); van kinderen die het thema in hun studie inpassen (wat in één geval zelfs voerde tot een rede op 15 augustus; zie hier); van kinderen die op eigen gelegenheid naar Japan gaan (bijvoorbeeld Dylan); of die een ‘Japanse’ hobby ontwikkelen (kendo -Cartouche; manga; etc.). Wat velen gemeen hebben is dat ze meer willen weten, hetzij van de familiegeschiedenis, van de omstandigheden toen, hetzij van Japanse gewoonten, mensen en cultuur, enzovoort. Een belangrijk motief voor deze site is te helpen voorzien in hun behoefte aan (meer) informatie. De vereniging JIN heeft Dylan in het bestuur opgenomen om meer aandacht te kunnen geven aan de behoeften en belangen van de tweede generatie.  

Betrekkelijk recent heeft zich een soort contactgroep gevormd die motivatiebrieven heeft geschreven die zijn gebundeld en door hen met de toenmalige voorzitters van JIN en Sakura (Silfraire en Rob) aan de Japanse ambassade zijn aangeboden. Daarin wordt gepleit voor mogelijkheden in een of andere vorm deel te nemen aan een programma van Japan reizen. Zie voor het verslag hier.

70 JAAR WO II/ Paul Schmitz, Kriegskind (War Child)

[:nl]Paul Schmitz, Kriegskind (War Child)
Die Suche nach meinem Amerikanischen Vater
(The search for my American father)

Vorig jaar in Berlijn ontmoetten we Paul Schmitz op het achtste Forum van BOW i.n. (Born of War, international Network) gehouden op 25 oktober 2014. Paul is de zoon van een Duitse moeder en Amerikaanse vader, geboren in 1945. Hij vertelde op de conferentie zijn verhaal.

Het BOW netwerk bestaat uit diverse organisaties van Europese kinderen ‘born of war’. Gemeenschappelijk is dat ze niet geboren zouden zijn wanneer er geen oorlog zou zijn gevoerd tussen landen die elkaars grondgebied bezetten of bevrijden. Het is verbazingwekkend dat overal buitenlandse vaders kinderen achterlieten bij vrouwen van het land met wie ze een verhouding hadden: Finland (Russen en Duitsers), Polen (idem), Elzas (Duitsers en Fransen), Skandinavië (Duitsers), Nederland (Duitsers, Canadezen), Duitsland (Geallieerden), België, enzovoort. De landen voeren oorlog maar wat kinderen betreft zijn de consequenties een privé zaak van burgers;  staten en overheden bieden niet of nauwelijks hulp wanneer kinderen naar hun vader gaan zoeken.

kriegskind Paul Schmitz schreef een mooi boek over zijn ervaringen als kind en zijn zoektocht naar zijn vader. Bij het Ardennenoffensief lag zijn Amerikaanse vader in de buurt van Sourbrodt in België. Daar had hij een verhouding met Paul’s moeder. Zij en haar familie moest het dorp vanwege de gevechten verlaten. Na de strijd keerden zij terug naar een volledig verwoeste buurt, ze waren alles kwijt. De moeder was zwanger, en met angst in het hart, moest zij op een gegeven moment haar familie inlichten. Haar grootvader was meevoelend en flink en het kind werd geaccepteerd. Dat was een hele opluchting want in veel andere gevallen werden deze kinderen als ‘schande’ ervaren. Paul werd ook niet aan een instelling afgestaan. Hij groeide op als een angstige en stille jongen, zonder vader. Over deze werd niet gesproken. Pas rond zijn 14e werd hij zich bewust dat zijn vader een Amerikaanse soldaat was. Zijn moeder zei dat hij John heette, en méér kwam hij niet te weten.

titlePaul schrijft: “het moet als een catastrofe gevoeld hebben: in een ineenstortend sociaal systeem waar de oude waarden nog in de geest aanwezig zijn, ontmoeten een man en een vrouw elkaar, die dat niet behoren te doen: jonge vrouw en een militair van de bezettende macht. Terwijl zwangerschap tijdens huwelijk de norm was, en over seksualiteit werd gezwegen, werd een kind geschapen, dat dit beeld aan diggelen gooide.”

 

Na 60 jaar begon Paul serieus te zoeken. Na vele teleurstellingen, gelukstreffers, valse sporen, en eindeloze gesprekken met familieleden en dorpelingen, kwam hij geleidelijk dichter bij de waarheid. In Sourbrodt bleek een geneeskundig bataljon gestationeerd te zijn geweest, waar zijn vader deel van uitmaakte. Maar wie?  Een contact met een soldaat van die compagnie gaf hoop, maar het liep op een mislukking uit. Deze man was geen ‘hospik’. Een grote teleurstelling. Velen bleken ook niet bereid te praten over hun oude maten. Uiteindelijk vond hij iemand die zeer coöperatief was.  Foto’s van soldaten met namen en gezichten kwamen boven water. Hij liet ze zien aan oude tantes. De vele gesprekken met hen stimuleerden haar geheugens. In US-archieven werden vier ‘Johns’ geïdentificeerd als waarschijnlijke kandidaat. Met vereende inspanning vond hij een zekere John K. Fitzmiller. Hij was overleden en had twee dochters.

Hij schreef hen een korte brief, waarop een antwoord kwam. Daarna schreef hij een hele lange brief. Een dochter zond foto’s en informatie over haar vader. Hij was huisarts geweest van 1948 tot 1988. Zijn interesses waren postzegels en goudvissen. Hij was geliefd, vriendelijk, rustig en gereserveerd. Zij verwelkomde het idee mogelijk een halfbroer te hebben. Na vele contacten wees een DNA-test in 2010 uit dat hij zijn vader had gevonden. Paul bezocht de V.S. voor een bezoek aan het graf van zijn vader en om zijn halfzussen te zien.

Het voelde als een nieuw begin. Terugblikkend ziet hij zijn jeugd als in beslag genomen door de vele vraagtekens over zijn identiteit. Hij had eigenlijk eerder hieraan moeten werken, dacht hij. Hij had geleefd als een ‘Kriegskind’. Hij besluit (ingekort): “Ik was altijd stil, en had lange tijd niet de moed vragen te stellen. Ik was bang opnieuw vernederingen te moeten ondergaan. Over mijn identiteit werd niet vrijuit gesproken. Alleen door mijn eigen initiatief en inspanning kwam ik iets meer te weten. ER was een leegte in mijn hart, en ik voelde me daarin niet begrepen. Maar dit alles was in het verleden nu. Mijn ziel was weer geheeld.”

 [:en]Paul Schmitz, Kriegskind (War Child)
Die Suche nach meinem Amerikanischen Vater
(The search for my American father)

Last year in Berlin we met Paul Schmitz at the 8th Forum of Children Born of War (BOW) on October 25, 2014. Paul is the son of a German mother and an American father, born in 1945. At the conference he told his story.

The BOW international network consists of organisations of all sorts of European children ‘born of war’. At this Forum the JIN association presented for the first time its story of the Japanese Indonesian- Dutch Descendants. (See these links for info presented in English and German Info JIN,english and JIN info in Deutsch, 2014). A common denominator is the fact that all these children would not have been born without countries being at war, its military forces battling each other, and occupying and liberating countries. It is amazing to see that everywhere babies were left behind by foreign fathers who had relationships with ‘local women’: in Finland (Russians and Germans), Elzas Lotharingen (French and Germans), Germany (Allied Forces), Poland (Russians, Germans), Scandinavia (Germans), Netherlands (Germans, Canadians), Belgium, etc. A common experience for these children is the lack of support after the war. The consequences were mostly treated as a private matter between citizens. The states did not offer much help when children started looking for their fathers.

kriegskindPaul Schmitz wrote a marvellous book about his experiences as a child and his efforts to find his American father. During the evacuation 1944/45 (Ardennen-offensive) his mother had in Sourbrodt (Belgium) a relationship with an American soldier. Paul grew up without knowing. His mother kept it a secret. After the battle the family returned to a destroyed village. They had lost everything. The mother was pregnant. Eventually she had to admit, with fear, what had happened, but her father was graceful and the family accepted her and her baby. This was a big relief, in many other cases these children were regarded as ‘children of shame’. The family resisted recommendations to put Paul in an institution for child care. He grew up as a shy and fearful child without a father. About him nothing was said. Around his 14th year he became aware that his father was an American soldier. His mother told him his first name was John, but very little else.

titleHe writes: “It must have felt like a catastrophe: in a time that the social system collapses but its values remain alive, a man and a woman meet each other who should according to society not meet: young women and occupying soldiers. While pregnancy during marriage is the norm and sexuality was hidden in the background, a child is created, which disturbs this ideal image.”
After 60 years Paul started a serious search. After many disappointments, lucky breaks, false trails, endless conversations and interviews with family members like aunts and villagers he came gradually nearer to the truth. It turned out that in Sourbrodt the 324th Med. Batt. (Headquarter and Company B) had been stationed and that his father was a medical officer. But who? A contact with a soldier of that company gave hope but a letter of his family smashed it: he could not be the man because he was not a medic. A huge disappointment. Furthermore, many were not willing to help, even veterans refused to tell anything about other soldiers. Then he found a contact in the U.S. who was very cooperative. Pictures were found of this particular military unit with faces and names. He showed them to his old aunts. The many talks about the past stimulated their memories. At the same time four possible ‘Johns’ were found in U.S. military archives. With combined efforts he succeeded in finding a certain John K. Kitzmiller as the most likely candidate. He died in 1994, but he had two daughters. He wrote them a short letter.

One daughter answered promptly. He replied with a very long letter. She sent pictures of her father and information about him. Her father had been a family doctor between 1948- 1988. His hobby’ s were collecting postage stamps and breeding gold fish. He was well-liked and respected and was known as a friendly, lovable, quiet, and reserved person. She welcomed the idea she might have a half-brother in Europe. After many contacts a DNA test confirmed in 2010 that he had found his biological father. Paul travelled to the States to visit his father’s grave and his half-sisters. It felt like a new beginning in a second life. In retrospect he sees his childhood as closed because of the many question marks about his identity. He feels he should have started to work on these issues earlier. He missed ‘father talk’. Because of his search he became more aware that he lived in his childhood as a ‘Kriegskind’. He concludes (abbreviated):
“I was always silent, and I had for a long time not the courage to ask any questions. I feared meeting with humiliations which I had so often already experienced. About my identity one never spoke freely. Only because of my own questioning I had learned something. There was an emptiness in my heart and I did not feel understood. But this was all in the past now. My soul was healed again.”[:ja]Paul Schmitz, Kriegskind (War Child)
Die Suche nach meinem Amerikanischen Vater
(The search for my American father)

Last year in Berlin we met Paul Schmitz at the 8th Forum of Children Born of War (BOW) on October 25, 2014. Paul is the son of a German mother and an American father, born in 1945. At the conference he told his story.

The BOW international network consists of organisations of all sorts of European children ‘born of war’. At this Forum the JIN association presented for the first time its story of the Japanese Indonesian- Dutch Descendants. (See these links for info presented in English and German Info JIN,english and JIN info in Deutsch, 2014). A common denominator is the fact that all these children would not have been born without countries being at war, its military forces battling each other, and occupying and liberating countries. It is amazing to see that everywhere babies were left behind by foreign fathers who had relationships with ‘local women’: in Finland (Russians and Germans), Elzas Lotharingen (French and Germans), Germany (Allied Forces), Poland (Russians, Germans), Scandinavia (Germans), Netherlands (Germans, Canadians), Belgium, etc. A common experience for these children is the lack of support after the war. The consequences were mostly treated as a private matter between citizens. The states did not offer much help when children started looking for their fathers.

kriegskindPaul Schmitz wrote a marvellous book about his experiences as a child and his efforts to find his American father. During the evacuation 1944/45 (Ardennen-offensive) his mother had in Sourbrodt (Belgium) a relationship with an American soldier. Paul grew up without knowing. His mother kept it a secret. After the battle the family returned to a destroyed village. They had lost everything. The mother was pregnant. Eventually she had to admit, with fear, what had happened, but her father was graceful and the family accepted her and her baby. This was a big relief, in many other cases these children were regarded as ‘children of shame’. The family resisted recommendations to put Paul in an institution for child care. He grew up as a shy and fearful child without a father. About him nothing was said. Around his 14th year he became aware that his father was an American soldier. His mother told him his first name was John, but very little else.

titleHe writes: “It must have felt like a catastrophe: in a time that the social system collapses but its values remain alive, a man and a woman meet each other who should according to society not meet: young women and occupying soldiers. While pregnancy during marriage is the norm and sexuality was hidden in the background, a child is created, which disturbs this ideal image.”
After 60 years Paul started a serious search. After many disappointments, lucky breaks, false trails, endless conversations and interviews with family members like aunts and villagers he came gradually nearer to the truth. It turned out that in Sourbrodt the 324th Med. Batt. (Headquarter and Company B) had been stationed and that his father was a medical officer. But who? A contact with a soldier of that company gave hope but a letter of his family smashed it: he could not be the man because he was not a medic. A huge disappointment. Furthermore, many were not willing to help, even veterans refused to tell anything about other soldiers. Then he found a contact in the U.S. who was very cooperative. Pictures were found of this particular military unit with faces and names. He showed them to his old aunts. The many talks about the past stimulated their memories. At the same time four possible ‘Johns’ were found in U.S. military archives. With combined efforts he succeeded in finding a certain John K. Kitzmiller as the most likely candidate. He died in 1994, but he had two daughters. He wrote them a short letter.

One daughter answered promptly. He replied with a very long letter. She sent pictures of her father and information about him. Her father had been a family doctor between 1948- 1988. His hobby’ s were collecting postage stamps and breeding gold fish. He was well-liked and respected and was known as a friendly, lovable, quiet, and reserved person. She welcomed the idea she might have a half-brother in Europe. After many contacts a DNA test confirmed in 2010 that he had found his biological father. Paul travelled to the States to visit his father’s grave and his half-sisters. It felt like a new beginning in a second life. In retrospect he sees his childhood as closed because of the many question marks about his identity. He feels he should have started to work on these issues earlier. He missed ‘father talk’. Because of his search he became more aware that he lived in his childhood as a ‘Kriegskind’. He concludes (abbreviated):
“I was always silent, and I had for a long time not the courage to ask any questions. I feared meeting with humiliations which I had so often already experienced. About my identity one never spoke freely. Only because of my own questioning I had learned something. There was an emptiness in my heart and I did not feel understood. But this was all in the past now. My soul was healed again.”[:]

Cherry Blossom Festival

[:nl]Het jaarlijkse Kersenbloesem Festival in Amstelveen werd gehouden op zaterdag 11 april jl. ‘The cherry blossom represents both a new beginning and the fragility of life’. De vereniging JIN was uitgenodigd een vertegenwoordiger te sturen. Hideko trof ook Namiko daar en de Japanse ambassadeur was zo vriendelijk met beiden op de foto te gaan. Op het programma: speeches, Yamato Taiko Drums, Japanese Choir of Amsterdam, Japanese Harp Ensemble, and a closing act by Yamato Taiko Drums. It was a bit chilly and rainy wheather but the Cherry Blossoms were lovely.

Nami en Hideko Cherry Blossom 2015 Yamato Taiko Drumband 2015Japanse ambasadeur met Namiko en Hideko 2015Schattig kroesig Japans kindje

Text-to-speech function is limited to 100 characters

[:ja]Het jaarlijkse Kersenbloesem Festival in Amstelveen werd gehouden op zaterdag 11 april jl. ‘The cherry blossom represents both a new beginning and the fragility of life’. De vereniging JIN was uitgenodigd een vertegenwoordiger te sturen. Hideko trof ook Namiko daar en de Japanse ambassadeur was zo vriendelijk met beiden op de foto te gaan. Op het programma: speeches, Yamato Taiko Drums, Japanese Choir of Amsterdam, Japanese Harp Ensemble, and a closing act by Yamato Taiko Drums. It was a bit chilly and rainy wheather but the Cherry Blossoms were lovely.

Nami en Hideko Cherry Blossom 2015 Yamato Taiko Drumband 2015Japanse ambasadeur met Namiko en Hideko 2015Schattig  kroesig Japans kindje[:en]The yearly Cherry Blossom Festival at Amstelveen was held on April 11. ‘The cherry blossom represents both a new beginning and the fragility of life’. The JIN Association was invited to send a representative. Hideko met Namiko there and the Japanese ambassador was so friendly to let take a picture together. It was a bit chilly and rainy but the cherry blossoms were lovely and the crowd was very friendly.

 

herNami en Hideko Cherry Blossom 2015rSchattig  kroesig Japans kindjeJapanse ambasadeur met Namiko en Hideko 2015

 [:]

Gerard Salemink

Steunpilaar van Ex-krijgsgevangenen en nabestaanden Japan (sinds 1989), de stichting EKNJ, en van Japans Indische nakomelingen op zoek naar hun Japanse familie.

Op 4 april 2015, is het 18 jaar geleden dat Gerard Salemink, franciscaan, overleed te

Mizumaki,1995,v.Agt,Salemink, Winkler, Hideko,Heldring 001 (2)Kyoto op 59-jarige leeftijd. Hij was 33 jaar missionaris in Japan. In de geschiedenis van JIN neemt hij een onuitwisbare plek in. Op bijgaande foto genomen bij het Kruis Monument in Mizumaki staat hij achter Dolf Winkler van de EKNJ.(Van Agt woonde deze herdenking bij; hij was toen Europees ambassadeur in Japan). Gerard was vanaf 1963 zielzorger in Kitami op Hokkaido. Na een korte periode in India kwam hij in Kyoto. Vanaf 1989 was hij begeleider van EKNJ (krijgsgevangenen en nabestaanden Japan). Via EKNJ kwam hij in aanraking met JIN en de Japans-Indische nakomelingen. Zijn hulp aan hen geraakte in een stroomversnelling toen eind 1995 het contact met Kaoru Uchiyama werd gelegd. Salemink overhandigde hem het stapeltje zoekdossiers waarover hij beschikte. Uchiyama en Salemink ontwikkelden een onwankelbare vertrouwensband wat in de communicatie met Nederlandse zoekenden en Japanse vaders/families van grote waarde was. Met de secretaris van JIN, coördinator in Nederland, was er in 1995 tot in 1997 kort voor Gerards dood een intensief fax-verkeer met betrekking tot alle zoekdossiers. Gerard begeleidde nakomelingen wanneer zij naar Japan kwamen voor contact met familie. Hij verzette ondanks zijn allengs zwakker wordende gezondheid heel veel werk. Niet alleen vertaalde hij alles van belang in en uit het Japans, hij schreef stipt vele brieven naar Uchiyama, JIN en naar zoekenden persoonlijk, en hij vergezelde Uchiyama en nakomelingen als tolk bij tal van (familie)gelegenheden, ook op reizen die daarvoor moesten worden ondernomen. Hij deed dit werk belangeloos, vanuit het motto dat op zijn rouwkaart stond: “Mogen wij een handreiking zijn voor mensen die op ons rekenen.” Op de kaart staat ook dat hij in de avond van 4 april stierf, heel rustig, met een glimlach op zijn gelaat, terwijl twee medebroeders het Zonnelied van Sint Franciscus zongen. Degenen van JIN die met hem te maken hebben gehad, zullen hem nooit vergeten.

Hierna is een necrologie van zijn opvolger Lukas Horstink geplaatst. Die geeft een fraaie blik in het leven van Gerard en van het werk van de Franciscaanse missionarissen.

Eighteen years ago on the fourth of April Gerard Salemink passed away. The Franciscan died in Kyoto, only 59 years old. For 33 years he had been a missionary in Japan. In JIN’s history he played an unforgettable role.

In the picMizumaki,1995,v.Agt,Salemink, Winkler, Hideko,Heldring 001 (2)ture he is at the Cross Monument in Mizumaki, he is standing behind Dolf Winkler, chairman of the foundation EKNJ. (Van Agt was also there, at the time as European ambassador).

First Gerard was a pastor in Kitami on Hokkaido, starting in 1963. After a brief interlude in India he came to Kyoto.  Through Dolf Winkler he came in contact with JIN and the Dutch Japanese descendants.

At the end of 1995 the contacts with Kaoru Uchiyama were established. Salemink gave him the files of searching members. Together they started a wonderful working relationship. They trusted each other fully. Gerard, Uchiyama and the JIN board developed a framework for coordinating the search for Japanese fathers. This was no easy task. Dozens of files were involved. Communication knew many pitfalls. Some arrangement for expenses, especially for long distance travelling in Japan, had to be worked out. The (secretary of the) JIN board needed to function as a central communication point, between members and Gerard and Uchiyama. In 1995-1996-1997 especially the traffic in faxes was heavy. Salemink translated everything in Japanese and v.v. He was a guide and interpreter for JIN members when they came to Japan for family encounters. He worked very hard, despite his weakening health.

He had as a rule to live by:  “Let us be a helping hand for those who count on us”. It said so also on his funeral card. He died peacefully, very quietly, with a smile, while two confraters were singing the SUN song of Saint Francis. Elsewhere on the site we have put his necrology written by his successor Lukas Horstink

 

 

 

 

 

Necrologie Gerard Salemink

door pater Harry Horstink

Na zijn priesterwijding vertrok Gerard Salemink naar Japan. Hij zou daar meer dan dertig jaar werkzaam zijn: de eerste 15 jaar in Hokkaido, de laatste 15 jaar in de Kansai (Osaka en Kyoto).  In Hokkaido praktiseerde hij de woorden van Jezus: “Laat de kleinen tot mij komen” door zich volledig in te zeten, verspreid over het Kitami-district. Bijna dagelijks legde hij daarvoor vele honderden kilometers af in zijn kleine Honda. Het is vooral daar geweest, in de kou, dat hij veel geleden heeft van zijn lijfkwaal, wat later een chronische trombose bleek te zijn, (..) zodat hij voortdurend last had van koude handen en voeten.

Toen hij in 1992 in de Kansai kwam  na een sabbatjaar in de Filippijnen, duurde het niet lang of hij zag in de Filipijnse gastarbeiders, die als vreemdelingen door Japan doolden de geringsten van zijn broeders. Toen de Franciscanen daarom in 1987 een huis kochten in Kyoto op de plaats, waar 400 jaar geleden de eerste Franciscanen, de latere martelaren van Japan, melaatsen verpleegden, was het hem duidelijk, dat dit een open huis moest zijn voor deze mensen. Sindsdien heeft hij niet alleen altijd de deur voor hen open gehad, maar vooral zijn hart en heeft hij vele instanties afgelopen en gefietst (hij wilde bewust vriendelijk zijn voor het milieu door geen auto te rijden) om vol voor deze misbruikte mensen op te komen. Hij paste de tijd van de kerkdiensten aan voor hen die tot laat in de nacht moesten werken. Hij wist een heel team van Japanse vrijwilligers op de been te krijgen die hem hielpen in verschillende takken van zorg, zoals op   sociaalrechtelijk en medisch gebied, advocaten, doctoren en mensen die borg wilden staan omdat ze geen verblijfsvergunning hebben, enzovoort. Niet alleen stond de deur altijd open  maar ook de telefoon roodgloeiend en de fiets altijd klaar om er weer op uit te gaan. Hij heeft de kerkelijke instanties in de Filippijnen weten te overtuigen dat ze mensen moeten zenden om hun leden in den vreemde bij te staan en zo zijn er zusters gekomen die geleidelijk aan zijn werk aan het overnemen zijn. Zo heeft hij zijn heengaan goed voorbereid hoewel hij er niet het minste vermoeden van had dat hij van deze aarde zo snel zou heen gaan.

De laatste vijf jaar heeft hij ook nog contact gekregen met een andere groep geringste broeders en zusters van Jezus door de stichting Ex-krijgsgevangenen en nabestaanden Japan (EKNJ). Hij heeft niet alleen zijn medewerking verleend door het organiseren van verwerkingsreizen in Japan maar vooral door het persoonlijk contact dat hij onderhield met deze mensen die nog gebukt gingen onder het onrecht dat hen tijdens de WO II is aangedaan. Heel veel energie heeft hij besteed aan de vertaling van een dagboek van een krijgsgevangene iets wat helemaal buiten zijn competentie lag maar dat hij tot een goed einde heeft weten te brengen dank zij de hulp van Maria Hata. Hij is op dit verzoek van een Japanse uitgeverij ingegaan omdat hij wist hoe weinig bij veel Japanners de ongerechtigheden van de laatste WO bekend zijn.

Via de EKNJ kwam hij in contact met Japans Indische Nakomelingen van wie er velen op zoek zijn naar hun Japanse vader. Ook hier heeft hij weer bewezen dat hij trouw was tot in de dood want dit helpen zoeken was voor hem niet alleen een kwestie van bellen, schrijven en rondtrekken iets waar hij enorm tegen op zag want hij was meer een huismus maar ook meeleven met de teleurstellingen wanneer er geen spoor meer te vinden was, Vanzelfsprekend kwam ook hier weer veel publiciteit  en bezoek aan hooggeplaatste personen bij kijken. Ook weer iets waar hij een enorme hekel aan had, hij bleef liever op de achtergrond.

Hij was trouw aan het Franciscaans principe “alles aan God terug geven”. Daarom zei hij ook altijd wanneer hij iets had gegeven of uitgeleend: “Je hoeft het niet terug te geven. Geef het op jouw beurt weer door aan iemand in nood als je die op je weg tegen komt. Help er anderen weer mee zodat het ten goede komt aan de behoeftigen en niet blijft rondgaan in de kring van mensen die het niet nodig hebben of al veel hebben”.  Hij realiseerde  de woorden van Jezus: Wat je aan de minsten der Mijnen hebt gedaan heb je aan mij gedaan.

Altijd klaar staan voor mensen. Dat heeft Gerard altijd nagestreefd. Hij stond dag en nacht klaar voor iedereen zonder onderscheid des persoons. Vooral in de laatste jaren waarin hij zich vaak niet goed voelde heb ik gezien dat het hem moeite kostte om beschikbaar te zijn naar zijn sterk verantwoordelijkheidsgevoel bracht hem ieder keer weer naar mensen die op hem rekenden. Hij was hen trouw ja trouw tot in de dood. Gerard was altijd en voor iedereen te bereiken. Ik zal dat met enige anekdotes toelichten. Hij was altijd zelf stipt op tijd en ergerde zich als anderen dat niet waren . Hij liet dat echter niet merken en liet anderen ook niet wachten als die bv voor de afgesproken tijd kwamen. Hij had een zeer regelmatige dagindeling. Zo at hij altijd precies op tijd en nam daar een half uur voor. ‘s Avonds at hij van 6.30-7.00 uur. Vaak had hij om 7.00 uur een vertrouwelijk huwelijksgesprek die jongelui kwamen wel eens wat vroeger.  Hij liet dan zijn eten staan en liet ze niet wachten. Hij had een hekel aan de telefoon maar nam die toch aan ook al was het midden in de nacht. Wel had hij tijden dat hij de telefoon niet aan nam, dat was tijdens het gebed ’s morgens, ‘s middags en ’s avonds, tijdens zijn private devoties zoals hij zijn lichaamsverzorging pleegde te noemen.

Heel veel mensen kwamen bij hem voor persoonlijke leiding mensen die geen uitweg meer zagen, mensen met een onverwerkt verleden of een vastgelopen huwelijk. Met veel geduld stond hij hen te woord. En deed daadwerkelijk iets voor hen. Dit kostte hem vaak heel veel energie. Hij zei wel eens tegen mij: waarom komen die mensen met moeilijkheden toch allemaal naar mij. Ik heb al genoeg aan mezelf. Niet zelden volgden zij zijn adviezen en waarschuwingen niet op, zodat er weinig vooruitgang of verbetering te bespeuren was. Hij was dan erg verdrietig en zei dan wel vaak: Ik begrijp die lui niet, waarom komen ze bij mij als ze toch niet willen luisteren en het zelf beter menen te weten. Maar desalniettemin stond hij toch weer klaar als ze toch weer bij hem kwamen en voor de zoveelste keer bij hem dezelfde problemen voorlegden (..).

Als gevolg van zijn ziekte leed hij onder aanvallen van hevige hoofdpijn  en duizeligheid. (..) Na een infectie en een kort ziekbed met vele complicaties is hij op 4 april 1997 aan nierfalen gestorven.[:en]by father Harry Horstink

After becoming a priest Gerard Salemink left for Japan. He would be working there for more than thirty years: first in Hokkaido (15 y), then in Kansai region (Osaka en Kyoto).  In Hokkaido he lived the words of Jesus: “Let the children come to me” by fully committing himself, all over the Kitami-district. Almost daily he traveled hundreds of kilometers in his little Honda. , Especially there in the cold he suffered a lot; he had chronic trombosis  which gave him constantly cold feet and hands.

When he came in Kansai in 1992 after a sabbatical in the Philippines he soon saw in the Philippine migrant workers who were like strangers in Japan, the least of his brothers in the Bibical sense. After the Franciscans bought a house in 1987 in Kyoto on the spot where 400 years ago the first Franciscans (later martyrs) nursed the lepers, it was clear to him that this house must offer a warm welcome for these people. Ever since he opened this house for them but also his heart. To assist them he visited many bureaucratic agencies by walking and cycling (he was aware of environmental issues, that’s why he prefered not to drive a car). He adjusted the times of church services for those who had to work late at night. He managed to assemble an army of volunteers to assist in all kinds of fields like law, medicine, lawyers, doctors, and people who would offer guarantees to obtain residence permits, etc.

Not only the door was always open, also the telephone was redhot, aand the bycicle was always ready for going out again. He succeeded in convincing the church leaders in the Philippines that they should send more people to help their members in Japan. So many sisters came to Japan who gradually could replace him in this work. So he prepared his departure although he had no notion at all that he would leave this earth so soon.

The last five years he came in contact with the Foundation for ex pow’s Japan and descendants (EKNJ) . He organised travels to Japan for them to deal with their past. Also he gave them personal assistance by listening and caring; many suffered still because of the injustices during WW II they endured. Much energy he spent to translate a diary of a POW; this was not his specialty but he pulled it off with some help from Maria Hata. He said yes to a request of a publisher because he knew how little the Japanese knew about the wrongdoings in WW II.  bekend zijn.

Via EKNJ he became aware of J.I.-descendants many of whom were looking for their father. Also in this respect he proved to be loyal until the very end because this activity was not just a matter of calling, writing and travelling (something he did not like at all, he loved staying at home) but also show empathy with disappointments when the trace became cold. Of course, it involved much publicity and visiting persons in high places; something he did not like, he preferd to stay in the background if he could.

He was loyal to the Franciscan principle: “Give everything back to God”. That is why he used to say whenever he gave or loaned something: “You do not need to give it back. Give it yourself to someone who is in need if you meet him on your path. Help others in order to help the poor. It should not circulate in groups of people that do need it really or have enough already.”  He lived the words of Jesus: “What you did for the least of Mine you did for Me.”

Always be ready for fellow humans. That was Gerard’s ambition. He was prepared day or night to help anyone without discrimination. Especially in his last years when he was often feeling ill, I have seen how much it took out of him to be available all the time. But his strong sense of responsibility prevailed every time to reach the people who counted on him. He was loyal unitill death. I explain with some anecdotes. He as always punctual to be on time in meetings and was annoyed when others did not. He never showed this, and did not let people wait either when they came earlier than agreed. His daily schedule was very regular. He ate at the some hours. In the evening from 6.30 – 7.00 o clock. When a young couple arrived earlier for a confidential wedding-consult he did not finish his meal but received them in his office. He loathed the telephone but answered it even in the middle of the night. Only during praying hours he did not, or during ‘his private devotions’ as he called his body care.

Very mcame to him for personal guidance; people who saw no way out any more, or with a past haunting them, or a broken down marriage. He had a lot of patience talking with them. If he could he offered real help. This cost a lot of energy. Sometimes he remarked to me: why do they come to me. I have enough difficulties on my own. Often they did not heed his advice or did not listen to his warnings, with the result that little progress was made.visited him again.  This made him very sad, and he said often to me: I do not understand them; why do they come to me, if they do not really listen and think they know better anyhow. In spite of this he never refused to listen and do his best whenever they laid the same problems before him for the ..th time.

As a consequence of his illness he suffered from severe headaches and dizziness. After an infection and a short sickbed with many complications he died because of kidney failure on April 4, 1997.

L. Horstink O.F.M.

 

Tine Ronkes Een Indisch Meisje

[:nl]Toegevoegd in ‘boeken’:

downloadEen bijzonder boekje is dit levensverhaal van een Indische vrouw dat is opgetekend door haar kleinzoon Michael de Haart die zijn oma interviews heeft afgenomen. Het is in 2013 uitgegeven in de Parelreeks, met als ondertitel ‘haar wandeling over het smalle pad’. Tine heeft in Malang tijdens de bezettingsjaren verkering gekregen met een Japanner Yoshio Imada, architect van beroep. Zij vertelt openhartig over deze relatie en de omstandigheden toen. Zij kreeg twee kinderen. Michael is ‘tweede generatie’-J.I.-nakomeling. Als JIN lid heeft hij als eerste sansei de groepsreis naar Japan meegemaakt in het kader van het Peace Exchange Program.[:en]Added in ‘books’

downloadA remarkable little book contains the life story of a Indonesian-Dutch (Indische) woman written by her grandson who interviewed her. During the occupation she had a relationship with Yoshio Imada in Malang. She tells candidly about this affair and the situation at the time. They got two children together. Michael is a sansei- descendant. As JIN member he was the first sansei that got trhe chance to participate in the Japan travels in the Peace Exchange Program.

 [:ja]Toegevoegd in ‘boeken’:

downloadEen bijzonder boekje is dit levensverhaal van een Indische vrouw dat is opgetekend door haar kleinzoon Michael de Haart die zijn oma interviews heeft afgenomen. Het is in 2013 uitgegeven in de Parelreeks, met als ondertitel ‘haar wandeling over het smalle pad’. Tine heeft in Malang tijdens de bezettingsjaren verkering gekregen met een Japanner Yoshio Imada, architect van beroep. Zij vertelt openhartig over deze relatie en de omstandigheden toen. Zij kreeg twee kinderen. Michael is ‘tweede generatie’-J.I.-nakomeling. Als JIN lid heeft hij als eerste sansei de groepsreis naar Japan meegemaakt in het kader van het Peace Exchange Program.[:]

Groeten van Kaoru Uchiyama

Yoko Huijs heeft ons 18 maart jl. het volgende bericht.

Hierbij wil ik de warme groeten van heer Uchiyama aan jullie doorgeven. Ik heb hem vandaag weer eens gebeld.

Het gaat goed met hem en zijn vrouw. Hij gymt 3 keer in de week, en zijn vrouw zwemt weer bijna elke dag!!

Zo houden ze hun conditie heel goed in de gaten in de hoop dat ze nog lang in deze wereld blijven leven.

“Voor deze wensen moet men in beweging blijven, doen wat je nog zelf kan.” Een wijze leer van dit bijzondere echtpaar.

Lieve gr. Yoko”

Victim, accomplice or culprit?

Onder deze titel verscheen in 2014 van Eveline Buchheim een fascinerend verhaal over de relaties van een Nederlandse vrouw in Indië  ‘with the Japanese occupier’. Dit is onder andere gebaseerd op brieven in Japan waarop zij de hand heeft weten te leggen. Het stuk is opgenomen in het recente Jaarboek voor Vrouwengeschiedenis, met het thema ‘Under Fire, women and World War II’. De vrouw om wie het gaat heet Marie-Thérèse Brandenburg van Oltsende die een relatie had met Minoru Sakata, waarvan overigens de precieze aard onzeker blijft. Zij werd na de oorlog in Nederland op de korrel genomen voor onteigening van haar zogeheten ‘vijandelijk vermogen’. Zij verdedigde zich tegen deze claim. Buchheim analyseert de complexe werkelijkheid van deze verhouding tijdens de oorlog onder andere vanuit het oogpunt van door de vrouw toegepaste ‘gendered strategies’.

An unusual love affair

Onder deze titel heeft Eveline Buchheim de geschiedenis beschreven van een Nederlands-Indische vrouw die een relatie had met een Japanse man gedurende de bezettingsjaren in voormalig Indië. Gebaseerd op een interview. Het is verschenen in 2010 in The Encyclopedia of Indonesia in the Pacific War’(Brill, Leiden, 2010). Zij schrijft ter inleiding van dit stuk treffend:

“recent research reveals amongst these unions (i.e. between Japanese fathers and ‘Indisch’ mothers) true love affairs (..). Silence and shame have surrounded these wartime intimate relationships, untill the offspring from these contacts started to ask questions about who their fathers were. If not for these children, by now these controversial stories would be long forgotten.”