Miyuki Okuyama

MiyukiMiyuki, woonachtig in Nederland, is als fotografe bezig met een project om Japans-Indische nakomelingen in Nederland te portretteren. Zij is verder als bestuurslid van de stichting Oorlogsgetroffenen in de Oost (S.O.O.) behulpzaam bij het zoeken naar vaders en familie in Japan. Haar site is

Een toelichting op het fotoproject is te vinden op haar site http://www.miyukiokuyama.com/projects

 

Daar zijn ook de tot dusver gemaakte foto’s te vinden. Wat de stijl betreft merkt zij op “In the portraits, the models look straight into the viewers’ eyes beyond the lens. Their gaze challenges the viewer to see who they really are. A Dutch/Indo viewer might notice the dissimilarity of appearance to him, while a Japanese viewer might find striking resemblance to himself. Similarly, the ordinary Dutch landscapes may appear unfamiliar to the eyes of the photographer and the photographed. This is a subjective documentary on compatriots abroad, assembled from a personal perspective as a Japanese immigrant in the Netherlands, sharing with the models the complexity of having pride in being Japanese, coupled with feelings of alienation and guilt.”

In mei 2013 had zij hiermee een expositie in het Guggenheim Museum. http://blogs.guggenheim.org/map/dear-japanese-children-of-war/

 

Fotoboek Dear Japanese en tentoonstelling van Miyuki Okuyama

Bespreking tentoonstelling in Bronbeek

(opgenomen in programmaboekje van 25-j-JIN jubileum op 1 mei 2016)

Miyuki, geboren in Yamagata prefecture in 1973,  is een fotografe die in Alabama haar M.A. in Studio Art heeft behaald (1996–2002). Sinds 2008 woont en werkt zij in Nederland. Haar werk is wereldwijd bekend, zie www. miyukiokuyama.com.  Miyuki is ook bestuurslid van de in Nederland gevestigde stichting Oorlogsgetroffenen in de Oost (S.O.O.) die onder voorzitterschap van Dr. Kaori Maekawa onder meer actief is in het opsporen van de families van vaders van Japans Indische nakomelingen.

In het fotoboek Dear Japanese  (te koop voor € 26) heeft Miyuki een aantal portretten van deze nakomelingen bijeengebracht, vermengd met foto’s van landschappen en huiselijke objecten. Het zijn volgens een speciaal procedé gemaakte, indringende zwart-wit opnamen.

Gezien worden De nakomelingen ervaren het  fotoproject als een erkenning in de zin van letterlijk en figuurlijk ‘gezien worden’. De behoefte daaraan verklaart waarom velen van hen aan dit project hebben meegewerkt. Het resultaat roept ook onbehagen op, vooral door de combinatie met de in het boek Dear Japanese  ter algemene toelichting opgenomen tekst.  De foto’s hebben geen onderschrift. De nakomelingen zijn zich bewust van de camera en kijken recht in de lens wat de waarnemer als het ware dwingt zich af te vragen: ´hoe en waarom kijkt deze persoon naar mij’. Aan de ene kant wil Miyuki de waarnemer daarbij zo min mogelijk sturen (aan de kijker dringen zich geen lach of een traan, noch woede of verdriet op), maar haar algemene tekst stuurt wél. Langs die weg worden de foto’s in een discutabel frame geplaatst.

De toelichtende tekst Er zijn veel kanttekeningen te maken. Het genoemde aantal nakomelingen (several thousands) is een slag in de lucht, de gebruikelijke schatting is 800 (ook een vermoeden overigens). Het genoemde getal van 360.000 Japanse militairen is misleidend: zij waren verspreid waren over een enorm gebied, alleen Java al is drie keer zo groot als Nederland; verreweg de meeste half-Japanse kinderen zijn op Java geboren, daar bevonden zich in 1945 ongeveer 53.000 militairen en 12.000 burgermilitairen (‘economen’), plus veel Japanse burgers. De tekst over de ‘kampen’ is verwarrend: ‘the women in these camps who had relationships with Japanese men (..)’. Niet genoeg kan worden herhaald dat de relaties als regel zijn ontstaan buiten de kampen, de Indo-Europese vrouwen waren doorgaans niet geïnterneerd. Het belangrijkste kritiekpunt betreft de bepalende rol die de KNIL-stiefvaders krijgen toebedeeld.

KNIL  Gesteld wordt dat ‘many mothers for various reasons (to obtain Dutch nationality, for financial support or for love) were married to Dutch East Indies Army Soldiers who had been in the Japanese POW camps.’ Aan die tekst is veel mis. De Indo-Europese vrouwen hadden al de Nederlandse nationaliteit. Dit kan dus geen reden zijn geweest een huwelijk aan te gaan (daargelaten de vreemde opmerking ‘for love or for financial support’). Feit is bovendien dat veel moeders na de oorlog niet met militairen van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL) zijn getrouwd. Dit komt overeen met de getalsmatige verhoudingen. Ongeveer 28.000 Indo-Europeanen hebben als militair de oorlog in een Japans kamp doorgebracht. Daartegenover staan 80.000 Indo-Europese vrouwen en vele tienduizenden Indo-Europese mannen die buiten de kampen zijn gebleven. Vrouwen met half-Japanse kinderen hadden geen speciale voorkeur voor terugkerende KNIL-militairen als huwelijkspartner. Al kon het natuurlijk wel zo gelopen zijn (ook met ‘Nederlandse’ KNIL-militairen). Het algemene beeld evenwel dat de tekst oproept dat de meeste zo niet alle nakomelingen te maken hadden met KNIL stiefvaders en dáárom een moeilijke jeugd hadden, is onjuist.

Jeugd  Weliswaar hebben alle nakomelingen in meer of mindere mate met moeilijkheden te maken gehad vanwege hun Japanse afkomst, maar de verschillen zijn groot (bijvoorbeeld: de komst naar Nederland lag tussen 1945 en 1965; informatie over de afkomst werd ontvangen als zevenjarige of na het zestigste levensjaar; de moeder was gescheiden, en ongetrouwd gebleven, of juist niet, enzovoort). In elk geval is het bezwaarlijk om de problemen van dé Japans Indische nakomeling  te herleiden tot de versimpelde, grove lijn: KNIL-militair, ervaringen als krijgsgevangene, ‘brutal features of Japanese soldiers’, stiefvaders, kinderen met Japanse gelaatstrekken, slechte behandeling. Veel kinderen hadden géén ex-krijgsgevangene-KNIL-stiefvader; ook is het unfair voor stiefvaders die de kinderen accepteerden en goed behandelden; verder blijft, door de focus te leggen op individuele, mogelijk getraumatiseerde mannen, de rol van de hele, voornamelijk Indische omgeving buiten spel, met name door het beeld van de ‘Jap’ dat doorwerkte naar moeder en kind.

JIN 1996

JIN 1996

Gezichten  Een groot bezwaar is tenslotte dat de portretten door de toelichting worden gekoppeld aan de ervaringen van krijgsgevangen KNIL-mannen. De vrouwen buiten de kampen in Indië hadden echter juist te maken met Japanners die allerlei andere functies dan bewaker uitoefenden. De moeders van kinderen met een Japanse vader hadden bovendien, kort gezegd, geen intieme relatie met een ‘Jap’ maar met een persoon. Wat ziet men dan in de gezichten van de kinderen, inmiddels zeventigers? Zeker is dat het geliefde en dierbare gelaatstrekken waren en zijn voor verwanten, partners, kinderen en vrienden! Daarom zijn hier ook een paar JIN groepsfoto’s van vroeger opgenomen.

Onbehagen Het onbehaaglijk gevoel dat nakomelingen bij dit project kan bekruipen is hiermee voor een deel verklaard. Verder is het besef verontrustend dat ze (opnieuw en ditmaal door een jonge Japanse) geïdentificeerd worden met een stukje oorlogsverleden. Inmiddels hebben ze een leven achter de rug van werk, loopbaan, kinderen en gezin. Ze zijn  oma of opa, hebben scheiding, ziekte of verlies van dierbaren meegemaakt. Niettemin wordt hun ouder geworden gezicht wederom verbonden met de oorlog, en in dit geval zelfs ook weer aan de ‘Jap’, precies het (raciale) stereotype waartegen velen altijd al moesten opboksen.

Japanners  Wanneer ze in Japan komen vallen ze uiterlijk niet op, dat is het eerste wat bijna alle nakomelingen ervaren. Komend uit Holland gaat daarmee een gevoel van bevrijding gepaard, van ‘thuiskomen’. Het ‘verlangen naar het fatherland’’ dat hen in de toelichtende tekst wordt toegedicht is daarvan een romantische vertaling. Misschien is dit het gevoel dat Miyuki, opgegroeid in de mooie streek Yamagata in Japan, wonend in Nederland, verbindt met de nakomelingen, en wat ze in haar (indrukwekkende) foto’s vangt of probeert te vangen. De opgenomen landschappen zijn (niet voor niets) koel en vervreemdend en de huiselijke plantjes en objecten in de foto’s doen aan als tamelijk armetierige hulpmiddelen: je thuis voelen in dit land of deze wereld gaat voor velen niet (meer) vanzelf.

De nakomelingen ondervinden van Japanners vaak een warm onthaal. Zij doen ook vaak hun best de Japans Nederlandse Nisei welkom te heten zoals bijvoorbeeld de stichting JNCC heeft laten zien. Mede daarom is in dit programmaboekje daar ruim aandacht aan besteed. De in Nederland gevestigde stichting Oorlogsgetroffenen in de Oost (S.O.O.) is er ook een voorbeeld van. Miyuki  is bestuurslid van S.O.O. en is zeer hulpvaardig bij het opsporen van Japanse families en het leggen van daadwerkelijke contacten daar. Een ander voorbeeld uit het verleden van daadwerkelijke en hartelijke betrokkenheid is van Yu Takei en Famcation die in 2010 een Forum organiseerden in Tokio. Zie hierover hierna een kort verslag, met de afsluitende groepsfoto.phoca_thumb_l_dsc00144