REDE CHANTAL MASCHKE 15 Augustus Herdenking 2008

herdenkingsrede Chantal Maschke

Geplaatst op 18/08/2008


De 15 augustus Herdenking was voor ons een zeer bijzondere. In het ochtendprogramma is namelijk de thema-rede op verzoek van het stichtingsbestuur uitgesproken door Chantal Maschke, een dochter van een Japans-Indische nakomeling, een oud-JIN lid. Haar rede was gewijd aan de Japans-Indische nakomelingen. Welke gevolgen en problemen heeft hun afkomst hen gebracht? Zij heeft hun stem bij deze herdenking willen laten klinken. Haar voordracht eindigt als volgt:

“Voor Japans-Indische nakomelingen komt een bevrijding niet alleen door erkenning van hun bestaan door Japanse zijde, maar vooral door de groep waarin zij zijn grootgebracht; de Indische gemeenschap. Ik hoop dan ook voor de toekomst niet alleen op een samen stilstaan, maar juist ook op een samen verdergaan.”

Chantal is 28 jaar en heeft een studie Nederlandse taal en letterkunde en Geschiedenis gevolgd aan de Universiteit in Leiden. Ze heeft voor haar afstuderen onder andere de scriptie geschreven ‘Liefde of overleven? Relaties van Indo-Europese vrouwen met Japanners’. Over dat onderwerp heeft ze een lezing gehouden in 2005 in het kader van de Indische Zomer, en een artikel gepubliceerd in het Indisch Huis Magazine van februari 2006. Zij is thans werkzaam als PR-medewerker bij een uitgeverij. De vereniging JIN heeft indertijd bemiddeld bij het tot stand brengen van de interviews voor het scriptieonderzoek. Hier volgt de integrale tekst van haar rede.

REDE 15 augustus 2008 Chantal Maschke

Ergens in Indië, een dag in december 1944 werd mijn moeder geboren, een kind van een Japanner, de vijand, maar op dat moment ook de vriend van mijn grootmoeder, die haar en de mensen om haar heen verzorgde en beschermde. Japan capituleerde nog geen jaar later en mijn grootmoeder bleef achter met een kind dat zichtbaar het uiterlijk had van de oude bezetter.

Gegrepen door deze familiegeschiedenis heb ik onderzoek gedaan naar Indo-europese vrouwen die een relatie aangingen met een Japanner en naar de kinderen die geboren zijn uit dergelijke relaties. Naast literatuur- en archiefonderzoek, heb ik zelf interviews afgenomen bij direct betrokkenen. Tijdens die interviews kwamen veel emoties vrij, die mij de tragiek lieten zien van een nog onverwerkt verleden.

Vandaag wil ik hier het lot van de Japans-Indische nakomelingen met u delen. Welke gevolgen en problemen heeft hun afkomst hen gebracht? Ik wil hierbij graag hun stem laten klinken.

Voor het ene kind was de Japanse afkomst nooit een geheim geweest, de ander hoorde het pas wanneer hij zijn geboorteakte nodig had of via de familie, bijvoorbeeld als moeder op sterven lag. Hoewel niet elk kind altijd van zijn afkomst heeft geweten, hebben zij met elkaar gemeen dat zij zich van kleins af aan anders voelden. Niet alleen door hun uiterlijk. Maar vaak ook door een andere behandeling binnen de familie. Een van de geïnterviewden vertelde mij hierover:

Ik werd genegeerd door mijn stiefzusters en stiefbroers. Toen mijn moeder trouwde met mijn stiefvader voelde ik mij heel erg eenzaam. Mijn stiefvader sprak nauwelijks tegen mij, eigenlijk helemaal niet, alleen als er fouten gemaakt werden zei hij er wat van. Als de andere kinderen kleren kregen werd ik overgeslagen. Daaraan kon ik al zien dat ik anders was, overbodig eigenlijk.

Het gevoel van anders zijn uitte zich in het niet op willen vallen. Dat het niet opvallen al met de paplepel werd ingegoten illustreert het volgende citaat:

Je hoorde thuis af en toe wel eens wat: Jap of Jappenkind. Maar ik hield me altijd maar op de achtergrond, want thuis wilden ze liever niet dat… voor de andere mensen…kennissen van mijn oma mochten niet weten dat ik van Japanse afkomst was, omdat heel veel Indischen erg hebben geleden onder die oorlog. Dus daarom werd ik altijd een beetje op de achtergrond gehouden, ook als kind.
Achtergehouden worden, uit worden gescholden voor Jappenkind, vriendjes en vriendinnetjes die niet met ze mochten spelen, het zijn allemaal nare ervaringen tijdens de jeugd, maar die waren zoals de geïnterviewden zelf aangaven wel te dragen. Helaas hebben Japans-Indische nakomelingen daarnaast vaak geleden onder psychische mishandeling in de vorm van genegeerd worden, overal de schuld van krijgen of het gevoel opgelegd krijgen nergens voor te deugen. Ook fysiek geweld en seksueel misbruik door familieleden of kennissen van de familie kwamen bij de groep van Japans-Indische nakomelingen in niet geringe mate voor.
Zoals ik al eerder zei, hebben niet alle kinderen altijd van hun Japanse afkomst geweten. Velen kwamen zelfs pas na hun kinderjaren achter hun Japanse afstamming. Vaak bleek,dat het geheim dat ze dachten te hebben, bij velen uit hun Indische omgeving allang bekend te zijn. Maar hun afkomst was iets waar men gewoon niet over sprak. Ze konden de andere behandeling, het gefluister en pesterijen of ergere dingen ineens verklaren. Een Japans-Indische nakomeling vertelde in een interview aan een krant over wat het met hem deed toen hij op 32 jarige leeftijd te horen kreeg kind van een Japanner te zijn. Voor hem vielen ervaringen uit zijn jeugd op zijn plaats toen hij wist van zijn Japanse afkomst. Hij zegt hierover:

Ik was zo in de war van dit schokkende nieuws. Ik verachtte de Japanners, omdat ik van de familie en anderen had gehoord van de verschrikkelijke dingen die zij tijdens de oorlog in Indië gedaan hadden. Toen ik aan mijn moeder vroeg of het waar was, knikte ze licht. Pas toen begreep ik waarom mijn stiefvader mij anders behandelde dan mijn andere broers en zusters. Hij heeft een vriend gehad die gemarteld is door Japanse soldaten. Hij zei wel eens tegen mij: jouw leven betekent niets! Waarschijnlijk omdat ik hem herinnerde aan de Japanse vijand.

Men kan zich voorstellen dat als iemand een anti-Japanse opvoeding heeft gehad, de schok des te groter was als diegene erachter kwam zelf een Japanse vader te hebben. Iets dat je altijd hebt gehaat was ineens deel van jezelf geworden. De identiteit die zo iemand in de loop van zijn leven had gevormd, was in één klap misvormd. Een geïnterviewde vertelde mij dat ze over haar afkomst te horen kreeg via haar broertjes en zusjes. Zij was toen 49 jaar. Thuis hadden ze geen goed woord voor Japanners over. Zijzelf had altijd geweigerd om spullen van Japanse makelij te kopen, want zij had een hekel aan Japanners. Ze vertelde mij wat de wetenschap over haar Japanse afkomst met haar deed:

Ik had een slecht gevoel over mezelf, ja, ik voelde mij minderwaardig. Ik vond het vreselijk dat ik van zo’n man afstam. Vond ik echt heel vreselijk. Het heeft een paar jaar geduurd om het te accepteren, omdat je zo opgevoed bent met een beeld van ‘ die mensen deugen niet’ , en dan krijg je te horen dat je daar ook van afstamt. Dan stort je wereld in, dan weet je niet hoe je daar mee moet omgaan en hoe je dat moet zien.

Met het weten over hun Japanse afstamming, kregen zij antwoorden en aan de andere kant rezen er ook weer vele vragen. Dat wat zij eerder te horen hadden gekregen over hun afkomst bleek niet waar en voor velen bleek de realiteit nog veel harder. Velen voelden zich identiteitloos. Omdat zij door de wetenschap van een Japanner af te stammen hun oude vertrouwde ik verloren hadden. Zij moesten hun nieuwe identiteit verwerken en een plaats geven. Dat werd bemoeilijkt, omdat in veel gezinnen niet werd gesproken over de oorlog. Op zoek naar antwoorden over hun Japanse afkomst stuitten zij op een muur van stilte; hun moeders en familie bleken in veel gevallen uiterst zwijgzaam.

Juist dat zwijgen maakte de puzzel van de identiteit niet gemakkelijker. Het bracht de kinderen in tweestrijd. De kinderen hadden onbegrip voor de stilte rond het verleden waar zij zelf deel van uitmaakten, maar tevens hadden zij begrip voor het zwijgen, omdat de geschiedenis van hun ouders en familie wellicht pijnlijk was. De kinderen voelden duidelijk dat ‘het toen’ en ‘het daar’ gespreksonderwerpen waren, waar een taboe op rustte. Ze durfden niet veel te vragen, omdat ze bang waren te horen niet uit liefde verwekt te zijn. Behalve het niet durven zoeken naar antwoorden in de directe omgeving, waren ze ook angstig om via andere wegen informatie in te winnen. Boeken, tentoonstellingen en documentaires over de Japanse bezetting werden dan ook in eerste instantie vermeden; lange tijd was de oorlog te confronterend. Omdat zij nog niet voor zichzelf hun Japanse afkomst hadden geaccepteerd, drukten kennis over de ellende en het leed uit die periode als een juk op hun schouders. Zij konden goed de narigheden, die mensen hebben moeten ondergaan tijdens de Japanse bezetting, meevoelen. Maar dat gevoel van medeleven bezorgde hen een schuldgevoel, want, zo vonden zij, ze waren toch ook deel van de macht die allerlei verschrikkingen over onschuldige mensen uitstortte. Zij wilden niets van de oorlog weten, omdat zij zich dan medeschuldig voelden:

Het feit dat je vader de vijand was en dat je daarop aangekeken werd en dat je jezelf daar ook op aankijkt, maakte het moeilijk. Want ik vond dat ik niet mocht praten over die Tweede Wereldoorlog, omdat ik schuldig was. Verstandelijk wist ik dat dat niet zo was, maar emotioneel zat dat wel zo in elkaar. Plus het was een geheim, dus er mocht ook niet over gepraat worden. Dat maakt het alleen maar zwaarder voor je.

Japans-Indische nakomelingen voelden zich (door hun Indische achtergrond) verbonden met de Indische gemeenschap, maar waren bang om door diezelfde gemeenschap afgewezen te worden, omdat zij een Japanse vader hadden. De kinderen waren zich bewust dat hun afkomst voor velen niet een simpel gegeven was, maar een beladen onderwerp. Daarom hielden zij rekening met gevoelens die leefden binnen de Indische kring.

Het niet open zijn over hun afkomst kan gezien worden als een vorm van respect en zelfbescherming, hoewel het soms meer leek op angst of schaamte over hun afkomst. Dat is bijvoorbeeld te zien aan de geslotenheid van de Japans-Indische nakomelingen over hun afkomst naar vrienden en kennissen toe. Want ook tegen hen durfden zij (soms tot nu toe) niet altijd open te zijn over hun Japanse afkomst. Het idee van “niet moeten opvallen” speelde dus niet alleen in hun jeugd, maar ook toen zij al volwassen waren. Een geïnterviewde zegt hierover:

Ik vertel het niet aan al mijn vrienden, omdat zij achtergronden hebben die te maken hebben met de Japanse oorlog. Ik ben bang dat ze me straks met andere ogen bekijken.

Hun gevoel van schaamte en angst was niet altijd ongegrond. Zij kenden de verschrikkelijke verhalen over de Japanse bezetting en ook werden zij wel eens onheus bejegend. Wanneer zij te maken kregen met negatieve reacties, riep dat geen gevoel van boosheid bij ze op, maar eerder gevoelens van verbazing, teleurstelling, schuld en pijn. Een geïnterviewde kon begrip opbrengen voor het volgende voorval:

In een supermarkt ben ik ook eens uitgescholden: vuile Jap! Ik was gewoon boodschappen aan het doen en toen was er een vrouw en…ja, toen werd ik ineens uitgescholden voor vuile Jap. Een wild vreemde! Heb er niets van gezegd, want het is alleen pijnlijk voor ze [voor de mensen die direct betrokken zijn geweest bij Japanse gruweldaden].
De schaamte over hun Japanse origine en de angst voor negatieve reacties hadden als gevolg het niet open zijn naar anderen toe. Hierdoor verwerkten zij hun afkomst in veel gevallen alleen, zij hadden er immers al zo lang niet over gesproken, niet over kunnen praten. Het was haast een onmogelijke taak om hun afkomst alleen te verwerken. Het waren namelijk niet alleen de facetten angst, schaamte en schuld, ontstaan door hun Japanse afkomst, die de nakomelingen moesten overwinnen, maar hun gehele achtergrond speelde hun parten. Wie waren zij?
Veel Japans-Indische nakomelingen dachten het probleem rond hun identiteit op te lossen door te gaan zoeken naar hun vader. Het vinden van hun biologische vader was (en is voor de mensen die nog steeds op zoek zijn) echter niet gemakkelijk. Moeders wilden of konden in veel gevallen niet meewerken. Omdat, zoals ik al eerder zei, bij de moeders en ook bij haar familieleden een taboe rustte op de periode van de Japanse bezetting, konden de kinderen door op zoek te gaan naar hun vader de familiebanden beschadigen. Want hun Indische familieleden vatten dat niet zelden op als het opentrekken van een beerput. Op ondernomen zoekacties door de kinderen werd in die gevallen mat, met een zekere desinteresse of zelfs met animositeit gereageerd.

Een van de geïnterviewden heeft met zijn moeder veel persoonlijke gesprekken gevoerd, maar niet over haar verleden. In die zin kende hij zijn moeder dan ook niet. Bij familie kwam hij ook niets te weten over de geschiedenis van zijn moeder:

Ik heb er ontzettend veel moeite mee, dat ik helemaal niets weet over mijn verleden (…). Daardoor ben ik inwendig onrustig. (…). Iets moet je weten, als je iets niet weet kun je er niets mee. Ik neem mijn moeder niets kwalijk, maar ik vind het wel jammer dat ze niets over mijn vader en over die tijd heeft verteld. (…). Maar ik vind niet dat ik het recht heb om een ander zoveel pijn te doen door informatie over mijn verleden af te dwingen [bij mijn moeder of tante].
Juist het invullen van het verleden is belangrijk voor Japans-Indische nakomelingen om zichzelf te kunnen hervinden.

Hoewel wij vandaag herdenken dat 63 jaar geleden een einde kwam aan de Japanse bezetting en stil staan bij hen die wij in de oorlogstijd zijn verloren, heb ik met dit verhaal ook stil willen staan bij een groep die ons niet is ontvallen, die de oorlog niet eens bewust heeft meegemaakt, maar waarin de bezetting door Japan wel zit opgesloten.

Voor Japans-Indische nakomelingen komt een bevrijding niet alleen door erkenning van hun bestaan door Japanse zijde, maar vooral door de groep waarin zij zijn grootgebracht; de Indische gemeenschap. Ik hoop dan ook voor de toekomst niet alleen op een samen stilstaan, maar juist ook op een samen verdergaan.

Comments are closed.