Stichting Oorlogsgetroffenen in de Oost (S.O.O.)

logo

De belangrijkste activiteiten van de stichting voor Oorlogsgetroffenen in de Oost (S.O.O.) zijn gericht op:

1. Voortgang van het project vertaling van de Nederlands/Indonesisch Krijgsgevangenen Kaarten

2. Vader Zoekaktie voor Japans-Indische nakomelingen

SOO helpt om niet-Japans-sprekenden uit te vinden hoe, waar en welk soort oorlogs-gerelateerde studies en gegevens er te vinden zijn. SOO is een Nederlandse organisatie zonder winstoogmerk met als doel verzoening en een wederzijdse dialoog tot stand te brengen ten behoeve van degenen die geleden hebben door de oorlog.

Voorzitter van het stichtingsbestuur dat bijna geheel bestaat uit Japanse dames die in Nederland wonen en werken, is Dr. Kaori Maekawa (historica). De heer Kaoru Uchiyama is ere-voorzitter.

De vereniging JIN streeft uiteraard naar een zo goed mogelijke samenwerking, en heeft afspraken over werkwijzen en procedures met de stichting gemaakt. Op velerlei wijze biedt de stichting hulp en steun. Zie verder de site www.s-o-o.nl

Sinds 2014 heeft SOO de steun van de advocaat H.Kawai. Zie hieronder.

Hiroyuki Kawai

De heer Kawai treedt op namens S.O.O. en zoekende nakomelingen om informatie van ministeries e.d. te verkrijgen indien daarvoor machtiging en een advocaat nodig is. Op 20 september 2014 was hij in Nederland op het Symposium. Een verslag van zijn bijdrage volgt hieronder.

Key-note speaker is Hiroyuki Kawai, een advocaat gevestigd in Tokio; hij spreekt in korte krachtige zinnen zijn gehoor toe. Enthousiaste vertaler is Mevrouw Peters. Kawai vermengt zakelijke uiteenzettingen met zeer persoonlijke verhalen. Hij begint over de situatie in China en Mantjsoerije na de capitulatie van Japan. Door de chaotische terugtocht bleven duizenden volbloed Japanse kinderen als wezen achter. Door adoptie zijn velen gered. [Op de JIN bijeenkomst in april van dit jaar heeft Maki Okubo, journalist van de Asahi Shimbun, hier uitgebreid over verteld. Haar verhaal staat op deze site]. Na zo’n veertig jaar kwamen er kinderen naar Japan die op zoek waren naar familie. De Japanse overheid bood geen oplossing voor de kwestie van hun nationaliteit. Kawai slaagde erin met civielrechtelijke acties voor hen een ‘familieregistratie’ af te dwingen. Deze staat praktisch gelijk aan het hebben van de Japanse nationaliteit. In 25 jaar hebben 2250 personen deze registratie verworven. Hij laat een lijst van deze namen zien.

In juni 1980 staat in de Asahi Shimbun een foto van een Japans weeskind van China dat in Japan haar familie zoekt. Er meldt zich een man die zegt dat hij haar vader is. Bloedonderzoek wijst evenwel uit dat er géén bloedverwantschap is. Intussen loopt de verblijfsvergunning van de vrouw af. Een tragedie dreigt. Een burgerlijke actiegroep wordt opgericht om de uitzetting te voorkomen. De artikelen in de ASAHI roepen een brede maatschappelijke sympathie op. Kawai sluit zich aan, en voert een procedure waarin hij bepleit dat het gaat om slachtoffers van de oorlog die maatschappelijk recht hebben op méér bescherming. In 1982 kent de rechtbank de familieregistratie annex nationaliteit toe.

20140920_132510Hij is zelf geboren op 18 april 1944 in Mantsjoerije. In juli 1945 wordt zijn vader gerekruteerd en ingezet voor het verrichten van schoonmaakdiensten. Op een dag  worden de manschappen verzameld, en degenen die een bepaalde kwalificatie hebben, dienen uit de rij naar voren te stappen. Hoewel zijn vader die gevraagde bekwaamheid heeft, weerhoudt een voorgevoel hem ervan aan dat commando gevolg te geven. De anderen worden als buffer ingezet in de frontlinie, en worden kansloos door de Russen verslagen, gedood of gevangen genomen. De meesten zijn niet uit Siberië teruggekeerd. Dit verhaal hoort hij pas veel later van zijn vader en het schokt hem diep. Als zijn vader eerlijk was geweest, hadden ze het niet overleefd! Hijzelf is met zijn moeder en zijn broertje na een barre tocht teruggekeerd. Wat zijn moeder in die ellende van honger, kou en ziekte op de been houdt is, vertelt ze hem later, de gedachte dat wanneer hij als oudste zoon omkomt haar leven geen waarde meer heeft. (Dit past in de cultuur van die tijd dat de oudste zoon de drager en behoeder is van de eer van de familie). Zijn broertje heeft de ontberingen niet overleefd, en hijzelf is volgens een arts op sterven na dood wanneer hij in Japan aankomt. Dit verhaal verklaart zijn ‘missie’; hij is gelukkig dat hij als advocaat deze weeskinderen kan helpen.

Degenen die in Japan zijn teruggekeerd, krijgen het moeilijk. Stelt u zich eens voor: ze komen in een vreemd land op middelbare leeftijd, spreken de taal niet, en komen niet aan het werk, op enkelen na die kunnen profiteren van de economische bubble waarin Japan dan verkeert. De meesten worden afhankelijk van een magere bijstandsuitkering.  In een rechtszaak die vele jaren duurt wordt met succes van de overheid geëist dat ze haar achterstallige zorgplicht erkent. Hierdoor krijgen ze het wat ruimer. Toch raken ze sociaal in een isolement. Om hen te helpen geven particulieren, onder wie Kawai, financiële ondersteuning voor buurt- en clubhuizen e.d.

Als vervolg op deze kwestie komt de zaak van de Filipijns Japanse kinderen op zijn weg. [In de samenstelling ‘Filipijns Japans’ ligt de nadruk op de Japanse nationaliteit in tegenstelling tot de volgorde in, bijvoorbeeld, ‘Japanse Amerikaan’; dan is de nationaliteit Amerikaans en de etnische afkomst Japans. De situatie van deze kinderen en hun naoorlogse activiteiten zijn besproken in het artikel dat elders op de JIN site is gezet. Daarin wordt ook de betekenis van de ‘familieregistratie’ toegelicht.]

Kawai zegt dat uittreksels uit familie- of inwonerregister in verband met privacyregelgeving niet door burgers (die niet tot de familie behoren) kunnen worden aangevraagd maar alleen door bevoegde advocaten. Japans Indische nakomelingen hebben naar zijn mening het recht om opsporing te doen. Naar zijn visie heeft de staat de fundamentele plicht om zonder nadere voorwaarden zijn eigen burgers bescherming te bieden. Wanneer de staat halfslachtig opereert in de uitvoering en naleving van deze verplichting, zou hij zich daarvoor schamen. Het minste wat men dan kan doen is ter compensatie hulp te bieden. Hij is daarom graag bereid om Japans Indische nakomelingen medewerking te verlenen. Hij wijst op de verschillen met vorengenoemde kwesties. De ‘ Chinezen’ hadden ouders die beiden Japans waren; de Filipijns Japanners willen de Japanse nationaliteit vooral voor hun kinderen en kleinkinderen, zodat deze in Japan kunnen wonen en werken; de Japans Indische Nederlanders willen een bevestiging van de Japanse vader. Hij merkt op dat hij als 70-jarige nu leeftijdgenoten heeft ontmoet om te helpen.